AOW-leeftijd toch omlaag?

Als het aan de vakbonden en de werkgevers ligt, kan de AOW-leeftijd omlaag: voorlopig bevriezen op 66 jaar.

Als het aan het kabinet ligt, loopt de AOW-leeftijd tot 2021 snel op naar 67 jaar. De bonden en bazen pleiten in een uitgelekt plan voor het voorlopig vastzetten van de AOW leeftijd op 66 jaar. In elk geval tot en met 2020.

Volgens de overheid was de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar nodig om de pensioenen betaalbaar te houden.

Die maatregel staat nu dus op losse schroeven.  Bovendien moet er meer ruimte komen voor het uittreden van oudere werknemers, zo meldt de Telegraaf.

De sociale partners worstelen al jaren met de opdracht van de overheid om te komen tot een nieuw pensioenplan. En al lijken de contouren zich nu af te tekenen: de nu gelekte plannen zijn geen akkoord, schrijft de Volkskrant.  Het zijn passages uit een voorstel dat op tafel ligt. Daarin staat onder meer dat:

 

  1. De verhoging van de AOW-leeftijd moet worden afgeremd.
  2. Werkgevers mogen overstappen op een garantieloos pensioen. Nu is dat een ‘vast’ pensioen. Althans: op papier. In de praktijk wordt er ook op deze vaste pensioen gekort, omdat fondsen deze belofte niet altijd waar kunnen maken. Het nieuwe stelsel wordt ontdaan van die schijn: pensioenen worden onzekerder.
  3. Kleine zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) moeten zich verplicht aansluiten bij een pensioenfonds.

Het probleem is alleen dat de regering niet alleen de werkgevers en vakbonden om advies heeft gevraagd, maar de Sociaal Economische Raad (SER). Daarin zitten ook andere vertegenwoordigers, die wellicht bezwaren hebben tegen deze plannen. Of ze doorgaan is dus maar de vraag, maar de overheid heeft de werkgevers en vakbonden hard nodig om ooit tot een akkoord te komen.