Reisverslag Indonesië: Kabbelend, lui en lekker

Geruisloos tuffen we langs Indonesische pareltjes als Lombok, Flores en Komodo. Een reis met een Buginese schoener is zoals een vakantie bedoeld is.

Geruisloos tuffen we langs Indonesische pareltjes als Lombok, Flores en Komodo. Een reis met een Buginese schoener is zoals een vakantie bedoeld is.

Het moet ongeveer 1970 geweest zijn. Op de achterbank van onze Volvo 544 zat ik met mijn Esso-dierenboek op schoot. Mijn vader tankte bij Garage Van Mill in Blaricum en de vriendelijke pompbediende overhandigde de hoofdprijs van die dag: het nieuwe dierenplaatje. Eindelijk, de komodovaraan! Een levensgevaarlijk beest, zo stond er in mijn boek geschreven onder het lege vakje.
Een reusachtige hagedis die wel 4½ meter lang kan ­worden. Hij woonde ergens ver weg, op een paar afgelegen eilanden in Indonesië. En met zijn reusachtige staart kon hij in één klap een mens doodslaan!

Pakweg veertig jaar later sta ik oog in oog met het beest. We zijn voor dit uitstapje aangemeerd op Rinca, een van de Kleine Soenda-eilanden in het zuidoosten van Indonesië. Het enige gebied ter wereld waar de komodovaraan voorkomt. Naar schatting zijn er nog zo’n vijfduizend. Esso heeft het destijds een beetje overdreven, stel ik vast. Om te beginnen zijn volwassen varanen hooguit 3 meter lang. Agressief zijn ze, onder normale omstandigheden, evenmin. Maar de grootste hagedis van de wereld is wel een schoonheid.

De wandeling over Rinca – met twee gidsen erbij, want het kómt voor dat de varanen iemand aanvallen – is een fysieke uitdaging vergeleken met ons luilekkerleven aan boord. Het landschap is prachtig, puur en droog. En gelukkig worden de dieren helemaal met rust gelaten. Tot tien jaar geleden gebeurde het wel dat bezoekers een geit meebrachten om aan de varanen te voeren, maar die praktijken zijn gelukkig voorbij. De dieren moeten weer hun eigen kostje bij elkaar scharrelen, en zo hoort het ook.

Ongerepte eilanden

Zodra we na de stevige wandeling verhit en stoffig aan boord van
onze boot de Ombak Putih klimmen, begint de verwennerij weer. Alstublieft: een verkwikkend vochtig doekje. En wilt u een glas vers­geperst vruchtensap? We zijn met een Buginese schoener, een traditioneel en met de hand gebouwd zeilschip, onderweg van Flores naar Bali. Een prachtige tocht van zeven dagen langs de ongerepte Kleine Soenda-eilanden. Een wereld ver weg van mobieltjes, deadlines, regen en files. Bijna niemand draagt nog een horloge. Dit is écht vakantie. We leven in een aangename cocoon van vroeg op, lang ontbijten, een uitstapje naar een of ander eiland, lekker lunchen en daarna een korte siësta. De durfallen springen vanaf de boegspriet in de lauwwarme zee en voor je er erg in hebt, is het alweer tijd voor een biertje.

Kijkje onder water

Zo rijgen de dagen zich geruisloos aaneen, met je blote voeten op het warme teakhouten dek, terwijl de golven zachtjes tegen de scheepshuid kabbelen en de zoete geur van kreteksigaretten vanuit de bemanningsverblijven het dek op waait. Op de achtergrond pruttelt af en toe een vissersbootje voorbij of klappert er een zeil.

Alles lijkt hier vanzelf te gaan. De vuile was gooien we in een mand onder aan de trap; een dag later ­vinden we onze shirts en broeken schoon en keurig opgevouwen ­terug. De bemanning, in aantal ­bijna evenveel als de gasten, doet stil en ongemerkt haar werk.

Heerlijke maaltijden verschijnen vanuit het niets op tafel, mijn hut ziet er elke dag uit alsof ik net aan boord ben gekomen. En alles wordt gedaan met een Aziatische glimlach en in stilte. Sommige bemanningsleden zie ik pas na vijf dagen voor het eerst! Eindeloze verlaten stranden, talloze onbewoonde eilanden en eilandjes: met een schip kom je op plekken die normaal moeilijk bereikbaar zijn. De grootste afstanden leggen we ’s nachts af. Vaak worden we wakker op een nieuwe betoverend mooie plek.

Verreweg het grootste deel van de trip varen we in de beschutting van de vele eilanden. Op de zeilen halen we hooguit 3 knopen (circa 5½ kilometer per uur) en dus staat vrijwel altijd de motor erbij aan.

Bijna elke dag nemen we een kijkje onder water; al snorkelend vergapen we ons aan koraalriffen met een ongekende variatie aan leven: clownvisjes, kogelvissen, koffervisjes, haaien en roggen, blauwe zeesterren, een steenvis, schorpioenvissen, zeepaardjes… het houdt niet op. Ook het landschap is verrassend. Hier geen tropisch woud, maar droge heuvels en bergen waarop hoge, ranke lontarpalmen domineren. Verder naar het westen worden de eilanden groener en de stranden beschutter. Maar de kustlijn blijft grillig, met diepe baaien en links en rechts honderden eilandjes, alsof ze achteloos zijn uitgestrooid.

Zeezigeuners aan land

Heel veel mensen wonen er niet in dit deel van de Kleine Soenda-eilanden. Op Flores, een van de grotere eilanden van de archipel, bezoeken we een paar dorpjes van zeezigeuners. Ze zijn oorspronkelijk afkomstig van Sulawesi (Celebes). De overheid zag ze liever in een huis dan in een boot. En dus wonen ze nu in huizen op palen – toch nog een beetje met de voeten in de zee. Hun onafhankelijkheid hebben ze echter niet verloren, dat vóel je als je er rondloopt. Ze stralen de kracht uit van een volk dat dicht bij de natuur leeft, en dat zich niet uit het veld laat slaan door dagelijkse zorgen en angsten.

Ook het eiland Komodo, verder naar het westen, is ondanks het toerisme gemoedelijk gebleven. Een stoet vrolijke kinderen wuift ons tegemoet. Opvallend veel vissers hebben zich op de handel in houtsnijwerk gestort. Her en der zitten mannen onder hun elegante huisjes op palen varanen te snijden, in alle soorten en maten. “Vissen? Dat doe ik bijna niet meer”, antwoordt een jongeman desgevraagd. “Dit is veel handiger om geld te verdienen. Daarmee kan ik vis kopen, of kip. Dat hadden we vroeger niet.”

Kakofonie in de haven

Een reis aan boord van een Buginese schoener is nooit saai. Het ene moment genieten we in een prachtige verlaten baai bij Komodo van een onwerkelijk mooie zons- ondergang. Nog geen twaalf uur later ontwaken we in de haven van Bima op Soembawa in een kakofonie van beelden, geluiden en geuren.
 
Daar zien we hoe de schoeners tot op de dag van vandaag nog volop in bedrijf zijn. In de haven rijden vrachtwagens af en aan, uit de scheepsruimen verschijnen onwerkelijke hoeveelheden cement, mie, rijst, chips en andere waar, opgestapeld in duizenden kartonnen dozen. Het rumoer van pruttelende dieselmotoren en schreeuwende havenarbeiders wordt overstemd door de oproep tot gebed van de plaatselijke moskee.

Intussen doet de verzengende hitte je snakken naar een zuchtje wind of een duik in het koele water. We gaan aan wal voor een bezoekje aan de markt. Honderden vrouwen verkopen er vis, groenten en fruit. Overal staan karretjes met soep, nasi of saté. Een complete maaltijd kost 5000 roepie, ofwel een halve euro. Indonesië is hier nog echt Indonesië. Aan de periferie staan tientallen paardentaxi’s klaar om mensen met de handel naar huis te brengen.  

Na een paar uur gaan de trossen weer los en zetten we koers naar een volgend droomstrandje om te snorkelen, te zonnen en te soezen terwijl de bemanning opnieuw een fantastische maaltijd bereidt, met verse ingrediënten van de markt. Op het achterdek liggen wat gasten in de deckchairs; de meesten zijn al weggedommeld. Nog even en het is weer tijd voor de borrel.

Lees ook:

Bron(nen):
  • Plus Magazine