Wat kunt u doen tegen vliegtuigtrombose?

Negen vragen over vliegtuigtrombose

Er is veel te doen over vliegtuigtrombose, maar hoe bezorgd moeten we daar eigenlijk over zijn? En wat kunnen we doen om het te voorkomen? Negen vragen aan de Leidse hoogleraar Frits Rosendaal, dé trombosespecialist van Nederland.

1. Wat is trombose?
Als ergens in ons lichaam een bloedvat kapot gaat, moet dat zo snel mogelijk worden gedicht, anders bloeden we leeg. Normaal gesproken wordt het gat door het bloed zelf gerepareerd: ter plekke stolt het bloed en de wond wordt afgesloten met een bloedprop. Dat proces is ingewikkeld en luistert vrij nauw. Het bloed staat in feite steeds op het punt van stollen, maar doordat het goed in beweging blijft, krijgt het daar de kans niet toe.

Bij trombose ontstaan er stolsels in het bloed, terwijl er eigenlijk van beschadigingen geen sprake is. In de aders ontstaan propjes, die de doorgang belemmeren en dus ook de terugstroom van bloed naar het hart. Dat is op zich al vervelend, maar het wordt nog ernstiger als het propje op gegeven moment losschiet, door het bloed wordt meegevoerd en ergens de boel gaat stremmen. Het propje kan in de longen terechtkomen (dat heet een longembolie) en soms zelfs in het hart problemen veroorzaken.

2. Wat is vliegtuigtrombose?
Trombose kan ontstaan als het bloed in onze aderen niet goed in beweging blijft. Het bloed moet, tegen de zwaartekracht in, uit de benen terug naar het hart en daarbij helpen spierbewegingen in de benen. Maar in het vliegtuig zitten we soms vele uren achtereen stil, net als in de bioscoop of soms na een operatie. Door het gebrek aan beweging stroomt het bloed te weinig waardoor het gaat stollen. De knik in de knie bij het zitten bevordert de doorstroming ook niet.

Recent onderzoek heeft laten zien dat de atmosfeer van het vliegtuig – de lage druk in de cabine – ook iets bijdraagt. Dus wellicht vergroot stilzitten in een vliegtuig de kans op trombose meer dan stilzitten op de grond.

3. Wie loopt er risico en hoeveel?
In principe loopt iedereen risico na een lange reis en wel gemiddeld driemaal meer dan gewoon op de grond. Dat is niet heel veel, want trombose treft normaal gesproken per jaar maar twee op de duizend mensen. Vliegtuigtrombose treft naar schatting één op de tweeduizend tot vijfduizend reizigers.

Maar er zijn groepen die een verhoogd risico hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor ouderen, dikke en lange personen, mensen die al een keer trombose hebben gehad of waarbij het in de familie voorkomt. Ook de pil of hormoonvervangende therapie verhogen het risico een beetje. Het komt er op neer dat als de kans op gewone trombose verhoogd is – denk ook aan zwangerschap of kanker – de kans op vliegtuigtrombose doorgaans ook hoger wordt. Veel mensen denken dat rokers een verhoogd risico hebben, maar dat is niet zo. Aderverkalking en dus roken, een hoog cholesterol, een hoge bloeddruk of diabetes, spelen geen of vrijwel geen rol.

4. Hoe ontstaat het precies?
Door een samenspel van allerlei factoren, maar hoe het precies ontstaat, weet niemand. We zien dat het stollingssysteem bij iedereen in het vliegtuig wakker wordt, maar bij vrijwel niemand heeft dat gevolgen. Waarom dan wel bij die ene persoon die trombose krijgt, is een raadsel.

5. Wat kun je doen om het te voorkomen?
Geen slaappillen nemen, niet te veel alcohol drinken, maar juist wel veel water en elk uur even de benen bewegen of in ieder geval de kuitspieren een paar keer aanspannen. Alleen mensen met een duidelijk verhoogd risico, die bijvoorbeeld al eens een trombose hebben doorgemaakt, zouden met hun huisarts kunnen bespreken of ze stollingsremmers moeten nemen.

Zomaar gekochte steunkousen zijn zinloos. Ze doen niets of ze zitten te strak waardoor ze juist trombose uitlokken. Wat misschien helpt, zijn speciale, op maat gemaakte kousen, die strak om de enkel en wat losser om de knie zitten. Maar of ze echt werken is niet duidelijk.

6. Helpt aspirine?
Aspirine is bekend als bloedverdunner, maar heeft maar weinig effect op het soort trombose waar het hier om gaat, namelijk een trombosebeen of longembolie. Een antistollingsbehandeling met een heparineprik of antistollingstabletten via de Trombosedienst helpen al veel beter. Het nadeel daarvan is echter dat die ook het optreden van bloedingen bevorderen, net als aspirine trouwens. De risico’s zijn niet groot, maar de kans op trombose ook niet. Zomaar middelen gaan gebruiken om vliegtuigtrombose te voorkomen is dus geen goed idee.

7. Hoe herken je trombose?
Trombose begint meestal met pijn en een wat opgezet been, meestal aan een kant. Soms worden mensen wat kortademig en gaan ze hoesten, als er sprake is van longembolie met wat rood opgehoest spuug. Een gang naar de dokter is dan aan te bevelen en die zal dan meestal een echo laten maken.

Verraderlijk is overigens dat de trombose niet alleen tijdens de vlucht kan optreden, maar ook nog tot acht weken erna, als niemand er meer op bedacht is. Onderzoek met geavanceerde apparatuur wijst trouwens uit dat bij veel mensen tijdens het vliegen piepkleine stolseltjes kunnen ontstaan, maar kennelijk lossen die door het lopen na het vliegen snel weer op.

8. Wat is de behandeling?
Mensen met trombose krijgen in het begin meestal heparine-injecties om het bloed te verdunnen en daarna nog drie tot zes maanden een anti-stollingsbehandeling via de Trombosedienst. Dat kan over het algemeen gewoon thuis. Alleen bij een longembolie beland je soms een paar dagen in het ziekenhuis. Na een trombosebeen moet je twee jaar steunkousen dragen.

9. Kan de schade blijvend zijn?
De afvoer van bloed door het been kan blijvend verminderen door de trombose. Dan spreekt men van het ‘post-trombotisch syndroom’. Dat is over het algemeen niet heel ernstig, maar wel lastig. Het geeft een vervelend gevoel in het been en lelijke verkleuringen. Als het weer omslaat, kan het been gaan opspelen. In zeldzame gevallen kunnen de restverschijnselen wel invaliderend zijn, met name als wonden aan de enkel niet meer goed herstellen. Dat heet een ‘open been’. Het dragen van steunkousen de eerste twee jaar na de trombose verkleint de kans op problemen later.

Trefwoorden: