AOW-leeftijd stijgt te langzaam

De Raad van State heeft naar de wetsvoorstellen van hogere AOW-leeftijd gekeken en van flinke kritiek voorzien. Het advies is echter vrijblijvend, dus of het kabinet er wat mee gaat doen is de vraag.

Gisterenmiddag heeft het kabinet de wetsvoorstellen over de verhoging van de AOW-leeftijd naar de Tweede Kamer gezonden. De kritiek op de wetsvoorstellen van de Raad van State maakt onderdeel uit van het wetsvoorstel. Dit adviescollege van het kabinet heeft zich kritisch uitgelaten over het wetsvoorstel. Zo voldoet de verhoging van de AOW-leeftijd naar 66 jaar in 2020 niet aan de urgentie waarmee het plan gemaakt is. Namelijk het verhogen van de arbeidsparticipatie van ouderen met het oog op de vergrijzing. Ook het mogelijk blijven van een AOW met 65 jaar zonder grote financiële offers ondermijnd die urgentie.

Er is echter meer kritiek, zoals de verdeling van de lasten tussen jong en oud, daar zet de Raad vraagtekens bij. Volgens de Raad van State biedt de in de wet opgenomen jaarlijkse verhoging van de AOW tot 2028  slechts een schijnzekerheid. Volgens de wet wordt het bedrag aan AOW gekoppeld aan de loonsverhogingen, plus jaarlijks 0,6 procent extra. Dat staat volgens de Raad van State op gespannen voet met het jaarlijkse begrotingsproces. Als het flink tegen zit is het de vraag of die verplichting wel gehandhaafd kan blijven.

Of het kabinet de kritiek van de Raad van State overneemt is nog maar de vraag. Het advies is vrijblijvend en het tot stand komen van de wet op basis van het pensioenakkoord was al moeilijk genoeg. Wel gaat de Raad nog onderzoek doen naar de effecten van de nieuwe wet voor de verschillende generaties.