Opa en oma zijn in crisistijd onmisbaar

Grootouders passen meer dan vroeger op hun kleinkinderen en door de crisis worden ze nóg vaker ingeschakeld. Dat blijkt uit Plus Onderzoek onder bijna duizend grootouders. Erg vinden ze het niet. “Ik ben blij dat ik het kan doen en het scheelt de kinderen een hoop geld.”

Als opa en oma niet bijspringen als oppas, moeten vier van de tien gezinnen terugvallen op betaalde kinderopvang en moet in 17 procent van de gezinnen een van de ouders minder gaan werken of zelfs stoppen met werken, blijkt uit Plus-onderzoek.

De professionele kinderopvang is in 2013 voor veel gezinnen namelijk fors duurder geworden. 7 procent van de grootouders geeft aan dat zij dit jaar méér dan vorig jaar worden ingeschakeld, juist vanwege die prijsstijging. Meestal een hele dag of een halve dag extra in de week. Sociologe Fleur Thomése onderschrijft de noodzaak van helpende grootouders: “Oppassen is niet meer zomaar een leuk extraatje, maar hard nodig om in die gezinnen alle ballen in de lucht te houden.”

Grotere behoefte

72 procent van de grootouders past op hun kleinkinderen en bijna de helft van de ondervraagden past één à twee dagen per week op. De meesten hebben één of twee kleinkinderen tegelijkertijd onder hun hoede als ze oppassen. 78 procent van de grootouders past nu méér op dan hun eigen ouders ooit bij hen deden toen ze in de kleine kinderen zaten.

Socioloog Teun Geurts ontdekte eerder iets vergelijkbaars: er werd in 2006 vaker opgepast door grootouders dan in 1992. Hij verklaart deze toename onder andere door de grotere behoefte aan kinderopvang omdat in veel meer gezinnen dan vroeger beide ­ouders werken. Grootouders springen bij om hun (schoon)dochters de kans te geven aan het werk te gaan en te blijven werken. Door dat te doen, besparen die gezinnen flink wat geld.

Grootouders
 

Betrokken blijven

Dat ze een steentje kunnen bijdragen, verschaft grootouders bijzonder veel genoegen. Ruim de helft van de ondervraagden zegt: “Ik ben blij dat ik het kan doen.” 26 procent zegt zelfs: “Ik word heel gelukkig van het oppassen.” Slechts 2 procent vindt het zwaar.

Oppassen is zo vreugdevol vanwege het contact met de kleinkinderen en ook omdat opa en oma op deze manier heel terloops en op een natuurlijke manier betrokken zijn bij het leven van hun kinderen en kleinkinderen. Het is de belangrijkste reden: 94 procent onderschrijft de stelling ‘ik pas op omdat het fijn is de kleinkinderen te zien en mee te maken’.

“Je wordt zo lekker eigen met de kleinkinderen; ze denken dat we er ook bij horen”, legt een Pluslezer uit. Een ander voegt daaraan toe: “We zien onze kleinkinderen opgroeien en zich ontwikkelen. Ik besef nu pas dat ik als kostwinner veel heb gemist bij de ontwikkeling van mijn eigen kinderen.”
 

Sterkere familiebanden

Als de grootouders oppassen, gebeurt er ook iets speciaals met de kleinkinderen, aldus sociologe Pearl Dykstra: “Kleinkinderen herkennen hun eigen ouders in de grootouders en ontwikkelen daardoor hun eigen identiteit. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Uit wat voor familie ben ik afkomstig? De band met de grootouders biedt bovendien een venster op het verleden.” Via de grootouders krijgen kleinkinderen zo een besef van vroeger tijden mee.

Lopen al die kleinkinderen de deur plat bij opa en oma als ze eenmaal zelf volwassen zijn? Nee, zo is het niet, weet Teun Geurts: “Gemiddeld zien volwassen kleinkinderen hun grootouders ongeveer zes keer per jaar. Wel is het zo dat relaties die intens waren tijdens de kindertijd meer kans hebben om voortgezet te worden in de volwassenheid.”

Grootouders
 

Meer steun van de zonen

Oppassen heeft vooral effect op de volwassen zonen. Geurts: “Grootouders die in het verleden regelmatig op de kinderen van hun zonen hebben gepast, krijgen later meer steun van die zonen. Deze zonen houden méér contact met hun ouders, bekommeren zich meer om hen en helpen méér met praktische zaken als grasmaaien of het installeren van een computerprogramma. Bij dochters is dit effect minder merkbaar, waarschijnlijk omdat zij al ingesteld waren op het onderhouden van de familiebanden en het zorgen voor hun ouders.”

Sociologe Fleur Thomése ontdekte samen met haar collega’s nog een – héél – bijzonder effect van oppassende grootouders: een aanmerkelijk grotere kans op gezinsuitbreiding. Thomése: “In Nederlandse gezinnen waar grootouders nooit oppassen, is de kans op een volgende baby 35 procent. In gezinnen waar grootouders volgens eigen zeggen ‘vaak’ oppassen, is de kans op nieuw nageslacht twee keer zo groot: 66 procent.”
 

Plezier en geluk

Is het beroep dat op opa of oma wordt gedaan weleens te groot? 80 procent van de ondervraagden vindt van niet. Oppassen is weliswaar een forse investering, maar daar staat tegenover dat er een hechte band wordt opgebouwd met de kleinkinderen en de kinderen. Oppassen levert plezier, geluk, waardering en zingeving op.

Ruim een derde van de grootouders past op in twee of méér gezinnen. Wordt er dan onderling geknokt om de kostbare vrije tijd van opa en oma? Nee, zo is het nou ook weer niet. Er is nauwelijks sprake van afgunst ­tussen de kinderen.

De meeste grootouders staan trouwens behoorlijk stevig in hun schoenen als ze gevraagd worden. Ze vinden het niet moeilijk om ‘nee’ te verkopen en gaan ook gewoon op vakantie. Hobby’s worden niet opgegeven voor het oppassen, maar een derde van de ondervraagden zegt wel afspraken af om te kunnen oppassen.
 

Gewoonste zaak van de wereld

De grootvader met zijn kleinzoon op het voetbalveld, de grootmoeder achter de kinderwagen in de winkelstraat… ze zijn de gewoonste zaak van de wereld geworden. Maar of dat zo blijft, vraagt Fleur Thomése zich weleens af. “Als de pensioengerechtigde leeftijd stijgt, zal er een spanningsveld ontstaan, vooral voor de oudere vrouwen. Blijven ze zelf werken? Of doen ze een stapje terug en geven ze hun (schoon)dochters de kans om betaald werk te doen? De tijd zal het leren.”
 

De cijfers

  • 78 procent van de grootouders past méér op dan hun eigen ouders vroeger deden.
  • 38 procent van de gezinnen moet betaalde opvang regelen als opa en oma niet meer oppassen.
  • 80 procent van de grootouders vindt het beroep dat op hen wordt gedaan niet te groot.
  • 59 procent van de grootouders verricht extra klussen in het huis van de kinderen tijdens het oppassen.

Waarom passen we op?

  • 94 procent past op omdat het fijn is de kleinkinderen te zien en mee te maken.
  • 73 procent past op als beide ouders er af en toe samen tussenuit willen.
  • 60 procent past op zodat beide ouders kunnen werken.
  • 43 procent past op omdat de kinderopvang (voor alle dagen) te duur is.

Meer onderzoeksresultaten vindt u op www.plusonline.nl/grootouders

Bron(nen):
  • Plus Magazine