Overheid moet strenger toezien op goed burgerschapsonderwijs

Vier op de vijf 50-plussers vinden dat het aanleren van de basiswaarden van democratie – het zogenoemde burgerschapsonderwijs – een verantwoordelijkheid is van de overheid. Dat blijkt uit onze wekelijkse stelling onder ruim 400 mensen.

Het burgerschapsonderwijs is een initiatief van minister Arie Slob voor Basis- en Middelbaar Onderwijs en Media. Het is een verplicht onderdeel van het opleidingstraject op basis- en middelbare scholen in Nederland. Het probleem is dat scholen hier zelf een invulling aan mogen geven. Sommige scholen doen dit zeer goed, andere besteden er slechts één lesje aan.

Minister Slob wil dat er duidelijker richtlijnen en strengere controles komen op de invulling van dit burgerschapsonderwijs. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat Nederlandse scholieren achterlopen bij scholieren uit andere Europese landen als het gaat om kennis van de basiswaarden van democratie.

Overheid moet voorbeeld zijn

Vier op de vijf 50-plussers zijn het hiermee eens. Niet alleen vinden ze het belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd te maken krijgen met kennis van democratie en mensenrechten, maar ze vinden ook dat de overheid hier een duidelijke en sturende rol in moet hebben. En vooral: dat de overheid een voorbeeld voor de scholieren is.

Een duidelijke voorstander benadrukte dat opvoeding van normen en waarden onmisbaar is om later goed, eerlijk en betrouwbaar in de maatschappij te functioneren.

Tegenstanders vinden het weliswaar een goed plan, maar zijn van mening dat andere problemen in het onderwijs eerder aangepakt moeten worden. Te denken valt aan vermindering van de werkdruk van leraren en de lage salarissen.