Zangeres Marga Bult: ‘Na al die jaren voelde de zorg als thuiskomen’

Interview

Ze reisde de hele wereld over voor optredens, maar kan geen tien dagen zonder Twente. Zangeres Marga Bult is afgelopen zomer 65 jaar geworden en vindt het nog altijd lastig om stil te zitten. Toen corona uitbrak en de zorg extra handen nodig had, voelde ze zich aangesproken. Ze pakte haar oude beroep op en inspireerde zo veel andere oudgedienden haar voorbeeld te volgen.

Margaretha Hendrika Maria Groeneveld is zangeres, presentatrice en verpleegkundige die zich veel inzet voor goede doelen. Als 12-jarige won ze een talentenjacht, waarna ze een platen­contract kreeg. Acht jaar lang combineerde ze het werk van verpleegkundige met optredens. In 1981 kwam ze onder de artiestennaam Marga Bult in de meidengroep Babe en scoorde ­wereldwijd hits. In 1987 werd ze met het lied Rechtop in de wind vijfde op het Eurovisiesong­festival. Naast haar carrière­ als zangeres ­presenteerde ze televisie- en radioprogramma’s. ­Tijdens de coronacrisis pakte ze haar werk als verpleegkundige weer op. Marga heeft drie ­volwassen kinderen en woont samen met Ludo Voeten.

‘Zolang ik kan zingen, wil ik op het podium blijven staan’

Vroeger lag ik al in de box te zingen en op het ritme van de radio mee te bewegen. Op school en in de kerk werd ik er altijd uitgehaald voor optredens en voorzingen. Op mijn 12de won ik een talentenjacht en kreeg een platencontract bij ­dezelfde maatschappij als Elvis Pres­ley. Dat was me wat. Moest ik als echte boerendochter uit het Twentse Lattrop met mijn moeder ineens naar de andere kant van Nederland voor opnames. We werden opgehaald door de producent. Het was de tijd van Heintje en Wilma; men zag in mij een nieuw kindsterretje. Na een paar singletjes en tv-optredens vonden mijn ouders het wel mooi geweest. Ik moest maar een brief schrijven dat de schoolresultaten eronder leden en ik er daarom van afzag. We hadden een boerderij met veel land en er waren nog vijf jongere kinderen thuis. Mijn moeder kon moeilijk elke keer het werk en de kinderen achterlaten om een dag met mij op stap te gaan. Het was ook zo’n andere wereld dan wij gewend waren. Gert Timmerman en Johnny Hoes stonden zomaar bij ons op het erf. Mijn ouders waren best trots op me en vonden het prima dat ik in de buurt bleef zingen met carnaval en huwelijksmissen, maar ik moest ook een vak leren. Zingen was geen ­stabiele handel; ik moest op iets ­terug kunnen vallen.

Hard werken heb ik van thuis mee­gekregen. We ploegden nog met paard en wagen en maaiden met de zeis. Mijn ouders stonden elke ochtend om vijf uur op. Na het melken en het verzorgen van de dieren had mijn vader een melkrit en kwam mijn moeder binnen om de hout­kachel te stoken, thee te zetten en voor ons alle zes een eitje te bakken als ontbijt. ’s Zomers gingen we na het melken weleens een dagje naar Giethoorn. De oudere kinderen ­kregen een broertje of zusje op schoot. Zo paste het net in de auto. We kregen een ­ijsje en speelden met de bal tot om drie uur mijn vader riep dat we weer op huis aan gingen. Om vijf uur moesten de koeien weer gemolken worden. Dat waren onze vakanties. We wisten niet beter. Bovendien heb je ’s zomers op een boerderij ook een mooi, vrij leven. Rond mijn 16de ­begon ik naar een grotere wereld te verlangen. Ik nam me voor heel hard te gaan werken, zodat ik later wat meer armslag had. We hadden het thuis niet slecht, maar met een groot gezin en inwonende grootouders hield het ook niet over. Die wil om hard te werken heeft mij veel ­gebracht. Ik koos voor de verpleging en heb acht jaar lang mijn baan als verpleegkundige gecombineerd met het zingen in bands. We traden twee tot drie keer per week op in Nederland en Duitsland. Het geld van de optredens spaarde ik, zodat ik op mijn 22ste al mijn eerste huis kon kopen. Ik had toen verkering met Wilfried Bult. Samenwonen mocht niet van mijn ouders en de pastoor, dus zijn we jong getrouwd.

Eind 1981 werd ik gevraagd auditie te doen voor de meidengroep Babe. Tot mijn spijt bleek dat niet te combineren met de verpleging en mijn band. De jaren met Babe waren hectisch met wel dertig optredens per maand. Ik reed elk jaar ruim 100.000 ­kilometer en was amper thuis. Ons huwelijk liep stuk in het jaar dat Babe stopte. Ik ben die ­periode letterlijk in elkaar gezakt. Ik wilde solo verder en had een tournee in Pakistan gepland staan. Er werd zo van alle kanten aan me getrokken dat ik er bijna aan onderdoor ben gegaan.

Ik ben altijd aan de magere kant geweest, maar toen woog ik nog maar 50 kilo. Die dip heeft me veel geleerd. Ik besefte dat ik genoeg ­ervaring had om alles in eigen hand te houden. Dat is mijn redding ­geweest. Mijn solocarrière ging daarna meteen goed van start; ik mocht Nederland vertegenwoordigen op het Euro­visiesongfestival. Privé ging het ook goed; ik werd verliefd op Jan, die de boekingen van Babe deed. Hem hoefde ik niets over het vak uit te leggen. Samen waren we een geolied team. Zeker met onze drie kinderen Jill, Joey en Jimmy. In de tijd dat de kinderen klein waren, bleef Jan bij ze als ik weg was. Ik wilde geen au pair, maar zelf voor mijn kinderen zorgen. Dat ons huwelijk na bijna dertig jaar in een scheiding eindigde, voelt als falen. Het verdriet blijft. We hebben samen zo veel mooie dingen meegemaakt. Ik heb er alles voor gedaan, maar het ging echt niet meer.

Gelukkig zijn we wel in goede harmonie uit elkaar gegaan. Jan bleef in het huis wonen met onze twee net volwassen zoons; Jill was al het huis uit. In het begin kwam ik vrijwel elke week langs om voor ze te koken. Met de feestdagen en verjaardagen zijn we ook altijd samen. Een vechtscheiding was mijn grootste nachtmerrie; dan maar door het stof gaan. Jan is en blijft de vader van mijn kinderen, ­alleen daarom al wilde ik een goede band met hem hebben. We spraken­ af dat als een van ons iets zou overkomen en er niemand anders was, wij er voor elkaar zouden zijn. Vorig jaar werd Jan ernstig ziek en leefde ik enorm met hem mee. Toen hij ­afgelopen zomer te horen kreeg dat hij hooguit nog twee maanden te ­leven had, heb ik alles uit mijn handen laten vallen om bij hem en de kinderen te zijn. De laatste twee weken van zijn leven hebben we hem met z’n vieren thuis verzorgd. Zo wilde hij het graag; in alle rust in zijn vertrouwde omgeving en omringd met zijn meest geliefden. Hoe heftig het verdriet ook was, het was ook mooi om samen zoveel voor hem te kunnen betekenen. 

Nu ben ik alweer vier jaar ­samen met Ludo. We wonen in ­Brabant, precies 200 kilometer van mijn ­moeder en familie vandaan. De verhuizing uit mijn vertrouwde omgeving was een enorme overgang. Eens in de tien dagen moet ik echt terug, anders krijg ik heimwee naar mijn moeder, familie en vrienden. Ludo en ik kennen elkaar uit de tijd van Babe; hij was de manager. We zijn elkaar daarna uit het oog verloren. Na mijn echtscheiding zat ik niet meteen om een nieuwe relatie te springen. Ik ben vier jaar alleen geweest, in die tijd ben ik het meest aan mezelf toegekomen. Ludo en ik hebben elkaar weer gevonden via zijn zoon Danny, die ik al kende als klein jongetje. Met hem had ik contact via Facebook en toen ik las dat hij ernstig ziek was, werd dat contact intensiever. Ik had zielsveel met Danny te doen, hij was vader van twee jonge kinderen en was het enige kind van Ludo. Hij is in 2017 gestorven. Na zijn crematie nam Ludo contact met me op om na te praten over Danny. We wisten niet van elkaar dat we allebei gescheiden waren. Door ons nog verse verdriet vonden we elkaar. In het begin was ik voorzichtig en aftastend. Ik wilde niet gekwetst worden en ik wilde hem ook niet kwetsen. Er is veel wat ons bindt, maar Ludo en ik verschillen op veel vlakken ook van elkaar. Hij is geen prater, ik juist wel. Ludo kan uren in de zon liggen of naar sport kijken, ik kan geen tien minuten stilzitten. Hij is een bourgondiër en at altijd buiten de deur, ik kook het liefst zelf. De eerste tien maanden met hem ben ik vaker uit eten geweest dan in mijn hele leven bij elkaar. Daar moest hij verschrikkelijk om lachen, maar met mij is hij wel gezonder gaan leven. Hij is op dieet gegaan en we hebben fietsen aangeschaft om samen te gaan toeren. Toen ik hem leerde kennen had hij suikerziekte, hoge bloeddruk en hartklachten. Nu is hij enorm afgevallen en zit hij op de helft van zijn medicatie. Daar heb ik diep respect voor. Toen corona uitbrak hier in Brabant en de zorg om oudgedienden stond te springen, was ik natuurlijk bezorgd om hem.

Toch heb ik me aangemeld; ik voelde zo sterk dat ik dit moest doen. Pas toen ik er middenin zat, besefte ik hoe groot de ­impact op mijn relatie was. Thuis sliep en douchte ik apart. De ontsmettingsdoekjes lagen overal in huis. Ik heb in mijn leven nog nooit zo veel gepoetst en gewassen. Drie maanden lang heb ik op een palliatieve afdeling gewerkt. Ik werd daar ingedeeld omdat ik in mijn vrije tijd ook werk in een hospice heb gedaan. Het was een emotioneel heftige en droevige tijd. Vaak zat ik op de terugweg in de auto nog te janken. Het ergste waren de mensen die zonder nabestaanden naast zich overleden. Ik probeerde er voor ze te zijn, maar dat is niet hetzelfde als je eigen familie. De pijn snijdt door je hart. Gelukkig zag ik ook mensen die genezen naar huis konden. Na al die jaren voelde de zorg als thuiskomen. Het werk, de collega’s en de waardering, dat was zo fijn dat ik nog een tijdlang als flexwerker nachtdiensten heb gedraaid. Ik wil graag een zinvol leven leiden. Waar kan dat beter dan in de zorg?

Straks zou het toch wel erg leuk zijn als ik oma zou worden. Mijn moeder had op mijn leeftijd al dertien kleinkinderen, ik nog geen. Zolang ik kan zingen, wil ik op het podium­ blijven staan. Liefst combineer ik optreden met de zorg, net als aan het begin van mijn carrière. De nachtdiensten van afgelopen jaar waren zwaar, maar ik heb er ook veel van geleerd. Het lijkt me fijn om dat in het nieuwe jaar kleinschalig weer op te pakken. Momenteel kan ik het er niet bij hebben. In de tijd dat ik voor Jan zorgde, moest Ludo een zware hartoperatie ondergaan. Hij heeft zes omleidingen gekregen en had mij dus ook hard nodig. Ik reed steeds op en neer tussen Oisterwijk en Twente. In zes weken tijd heb ik 15.000 kilometer afgelegd. Nu wil ik thuis bij Ludo zijn. Hij heeft een huis in Spanje en wil daar graag vaker en langer met mij zijn. Dat is nog wel een dingetje voor mij.

Hier in Brabant heb ik mijn draai gevonden. We wonen in een prachtige regio met gezellige mensen en mooie bossen die me aan Twente doen denken. Samen maken we heerlijke fietsritten en ontdekken steeds nieuwe dingen. Ik heb hier mijn huis en tuin waar ik als echte klusmuts mijn energie in kwijt kan. In Spanje kan ik mijn hobby’s niet uitvoeren; ik ben bang dat ik me daar na een paar weken verveel. Toch wil ik het een kans geven. Brabant is uiteindelijk ook goed bevallen, maar dat is minder ver weg van mijn kinderen en familie. Mijn moeder is gezond, maar al 89 jaar. Na het overlijden van mijn vader, nu zes jaar geleden, is ze op de boerderij blijven wonen waar we allemaal zijn opgegroeid. Mijn broer heeft het ­bedrijf overgenomen en woont met zijn gezin aan de voorkant. Zo leeft mijn moeder vertrouwd en beschermd. Die wetenschap is essentieel voor mij. Als ik iets van corona heb ­geleerd, dan is het wel hoe belangrijk familie is. Die kun je niet vaak en lang genoeg koesteren.”