Schrijver Herman Koch: ‘Het leven zoals het nu is, moet ik vasthouden’

Interview met Herman Koch

Brenda van Leeuwen
Brenda van Leeuwen

Met zijn laatste boek, De overbodigen, verrijkt Herman Koch zijn indrukwekkende oeuvre. Hij leeft al zes jaar met prostaatkanker, maar schrijft gestaag door. Haast heeft hij niet. “Ik ervaar een soort rust.”

Herman Koch (1953) werd geboren in Arnhem en bracht zijn jeugd door in Amsterdam-Zuid. Hij werd als schrijver extreem succesvol met Het diner (2009), dat vijf keer werd verfilmd en een ongekende wereldhit werd, van de VS tot aan Rusland en India, waar het boek nu ook verfilmd gaat worden. Zijn nieuwe boek De overbodigen valt samen met de honderdste druk van Het diner. De schrijver maakte tussen 1990 en 2005 deel uit van de satirische tv-hit Jiskefet. Hij is getrouwd met de Spaanse Amalia de Tena, samen hebben ze zoon Pablo.

Foto’s Brenda van Leeuwen

‘Vroeger toen ik op de Montessorischool zat, vertelde ik als we we met onze klas naar een museum of zwemles onderweg waren, hele verhalen die ik ter plekke verzon. Over Tepel Saskia en andere hoofdpersonen. Mijn fantasie was niet te stoppen en thuis had ik alle tijd om die te ontwikkelen. Met mijn vader en moeder vormde ik een drie-eenheid, niet afgeleid door zussen of broers. Mijn  vader had uit een eerder huwelijk wel dochters, maar dat waren meer tantes voor mij. Ik vond het fijn thuis. The Beatles draaien, achter mijn bureautje verhalen verzinnen. Mijn ouders lieten me wijselijk met rust: hij is lekker bezig. Ik had mijn pen en ­papier, later mijn schrijfmachine, en maakte hele kranten en tijdschriften. Tekenen en schrijven droegen een groot geluk in zich; ik reisde weg van mezelf. Later heb ik mijn vader mijn verzameld werk gegeven als verjaardagscadeau. Hij is ermee naar uitgever Martin Ros gestapt: ‘Volgens mij is mijn zoon wel een schrijftalent.’ Ros zei: ‘Ietsje rijpen nog.’In mijn stappen om schrijver te worden was ik ronduit traag. Ik was perfectionistisch, vond zelden iets goed genoeg. 

Op een gegeven moment kreeg ik de tip: ‘Stuur dit verhaal nou eens naar het literaire ­magazine Soma’, dat was tussen 1969 en 1973 een begrip. Opsturen doe ik niet, bedacht ik, dan kom ik op de grote stapel. Weet je wat: ik ga langs, dan zeg ik: kijk eens meneer, alstublieft, mijn werk. Een heel eind fietsen, aanbellen en…. Niets. Niemand thuis. Ik dacht: een teken. Bovendien had Gerrit Komrij gezegd: ‘Je kunt maar één keer debuteren, dus zorg dat het dan wel iets is.’ Dus ik wachtte nog een tijd. Ik wilde simpelweg niet ­afgewezen worden. Pas toen ik 28 was, nam ik de stap iets op te sturen, naar het magazine van uitgever De Bezige Bij. Dat werd meteen aangenomen met de vraag: heb jij niet meer verhalen? Toen was ik binnen.Na dertien gelukkige jaren viel de drie-eenheid uiteen: mijn ouders besloten te scheiden, een breuk in mijn bestaan. Ik had te doen met mijn moeder, zij was verlaten en zij was een heel lieve vrouw. Met een onbegrensd vertrouwen in mij. Ze zei altijd: ‘Die Herman gaat met zijn verhalen en tekeningen nog eens heel groot worden.’

Ik was al jong wees. Mijn moeder overleed toen ik 17 was, mijn vader zes jaar later. Na de dood van mijn moeder vertrok ik naar Finland om in de bossen met een kettingzaag tekeer te gaan en op het land van een boer te werken. Ik wilde iets uitstellen: mijn ­vader moeten vertellen wat ik echt in het leven wilde doen. Hij kwam zelf uit de literaire wereld, wist hoe het schrapen was voor vele schrijvers. Hij wilde heel graag dat ik een beroep zou kiezen waarmee ik niet zou verhongeren. Ik woonde in een gedeelte van ­Finland dat dicht bij Rusland lag en kreeg daar het inzicht dat ik liever daar zat dan in de collegezalen. Maar op een gegeven moment moet je toch wat. Ik besloot Russisch te gaan studeren. Ik was geïntrigeerd door dat land en door de schrijvers. Die studie heb ik drie maanden volgehouden. Ik vond dat ­onderwijssysteem zo klassikaal, moest zoveel woordjes leren en die hele sfeer ervoer ik als onprettig.Het is raadselachtig hoe het allemaal goedkwam. Mijn eerste boeken verkochten matig, maar er ­gebeurde iets grappigs. Van nature ben ik een enorme lastpak en lawaaiig, met een gevoel voor humor dat net even iets verdergaat, maar ik ben ook heel verlegen. Ineens kreeg ik de kans om met mijn goede vriend Michiel Romeyn op de VPRO-radio het absurdistische Borát te maken. 

Vanuit daar gingen Michiel en ik, samen met Kees Prins, het satirische Jiskefet op tv maken. Een groot succes. Dat had ik allemaal nooit voorzien. Maar het schijnt dat gewone, evenwichtige mensen heel nerveus worden van microfoons en camera’s, terwijl verlegen mensen denken: dit is mijn kans. Je speelt natuurlijk ook ­allerlei figuren, fantasiepersonages, dat paste mij.Mijn moeder had het heel leuk gevonden dat haar zoon zo’n succes kreeg met zijn werk. Ze had waarschijnlijk ook gezegd: ‘Moet dat nou weer Herman, zo’n boek?’ Maar mijn ouders hebben allebei er niks van meegemaakt. Borát, Jiskefet, al die boeken, ­allemaal na hun tijd. En dan denk ik weleens: ik maak als vader mijn zoon wél heel erg mee. Een groot geluk. Zo bezien is het een treuriger gedachte dat Pablo zijn grootouders nooit heeft gekend dan dat mijn ouders mijn succes nooit hebben gezien.

Ik vond het fijn thuis: The Beatles draaien, achter mijn bureautje verhalen verzinnen

Nu is er de honderdste druk van Het diner. Ik ben me nooit zo bewust geweest van al die aantallen. Bij de presentatie van het boek voelde ik al wel dat de verkoop kon exploderen; de eerste druk was toen al uitverkocht. Het waargebeurde verhaal dat de aanleiding vormde, de moord op een dakloze in Barcelona door twee ‘normale’ jongens, is natuurlijk een universeel thema. Wat doe je als ouders als je kind iets verkeerds heeft gedaan? En wat doet je kind ­eigenlijk buiten je gezichtsveld? Die gedachten zijn in China niet anders dan in Denemarken of Rusland. Toen die moord plaatsvond, woonde ik in Barcelona en dacht: mijn Pablo is nu een heel lief jongetje van 11, maar straks is hij 16, wat doet hij dan? Met mijn laatste boek De overbodigen voer ik, net als in Het diner, twee ouder-echtparen op. Ik vind het dan leuk een van de hoofdpersonages zo vreselijk mogelijk te laten zijn. Ik vind zulke figuren boeiend. Ik kan dat helemaal uitvlooien: een man heeft uit noodweer twee mensen omgebracht en gaat dan in zijn brein voortdurend allerlei scenario’s bedenken hoe hij hier uit kan komen. 

Hoe zit zo’n man in ­elkaar, wat is dit voor een manipulerende figuur?Zelf heb ik enkele jaren geleden iets vergelijkbaars meegemaakt. Tijdens een wandeling door Engeland werden mijn vrouw, haar zus, onze zwager en ik plotseling geconfronteerd met twee agressieve mensen. Ik dacht: ik ga nu tot de aanval over. Niet dat ik een vechter ben, integendeel, maar ik had als nordic walker wel twee van die scherpe stokken als moordwapen. Ik overwoog die te gebruiken, zag de blik van mijn vrouw en die blik zei: ‘niet doen’. Dat redde me, maar ik dacht wel: stel dat ik het wél had gedaan. Dat wordt dan een boek. Waarin de agressors ineens de slachtoffers worden en de slachtoffers de daders.Ik heb dat voorval lang verzwegen. Blijkbaar verstop je dat moment voor jezelf, omdat je zo dicht bij iets bent geweest waar je niet wilt zijn. Dan kan het deksel beter dicht blijven. Maar opeens zei ik tegen mijn zoon: ‘Pablo, heb ik jou al eens verteld over die wandeling in de Cotswolds?’ Nee, hij had geen idee. Toen de deksel eraf was, heb ik zo’n vier maanden zitten schrijven en toen was het boek klaar.

Straks, dat weet ik zeker, voel ik nog altijd dezelfde liefde voor schrijven die ik als jongetje voelde. Ik schrijf iedere dag tweeënhalf uur in de ochtend en dan ben ik helemaal vertrokken. Daarna is de energie op, het werken vergt zo veel concentratie dat ik klaar ben voor de dag. Time for things to restore the ego, zoals Hemingway zei. Hemingway zei ook: je moet als schrijver stoppen op het moment dat het lekker gaat. Ik heb me altijd graag gelaafd aan dit soort uitspraken.Als ik over mijn schouder naar achteren kijk, denk ik vaak genoeg: wat ben ik een verwend nest uit ­Amsterdam-Zuid, wat heb ik het altijd gemakkelijk gehad. Mijn vrouw Amalia is Spaanse. Die aanraking met Spanje heeft me veel geleerd over de kwaliteit van leven versus roots. Ik kwam erachter dat die twee niks met elkaar te maken hebben, dat je intens en mooi kunt leven zonder iets. Het verspaansen heeft wat met mij gedaan. Het bijzondere is dat als je Spaans leert spreken, je iemand anders wordt. Je gaat als vanzelf met je handen praten, wordt een soort dramaqueen. Alles vanuit het hart. Het grootste compliment dat ik kreeg, was dat mensen in ­Barcelona zeiden: goh, Herman, je lijkt wel een Spanjaard. 

Voorlopig heb ik enorm geluk: ik kan redelijk tot goed functioneren

Mijn schoonmoeder zei bij onze eerste ontmoeting nog wel: ‘O, hij is schrijver? Een bohemien!’ Met andere woorden: armoede. Een paar jaar later droeg ik een boek aan haar op: Voor mijn schoonmoeder, van haar ideale schoonzoon. Toen zei ze: ‘Ja, Herman, dat ben je echt geworden.’ Wij begrepen elkaar. Dan zaten we aan zo’n lange tafel te eten en kruisten onze blikken als iemand wat zei. Wij keken met eenzelfde, licht kritische, licht geamuseerde blik naar de wereld. Ik wil Pablo en Amalia zo goed mogelijk achterlaten, maar hoe lang ik nog heb? Voorlopig heb ik enorm geluk. Ik zit nu op zes jaar prostaatkanker, maar kan redelijk tot goed functioneren. Iedere keer als ik ­zoiets vertel, vind ik het zo sneu voor de mensen die dezelfde kuur hebben gekregen als ik en niet zo’n ­geluk hebben. Ik heb niet zo’n gangbare behandeling gekregen, maar een kuur die de ziekte niet geneest maar het proces wel remt. Voor 5 procent van de ­patiënten slaat de kuur niet aan, 90 procent leeft er gemiddeld anderhalf jaar langer door en de laatste 5 procent heeft het geluk dat ik heb, die overstijgt die anderhalf jaar; in mijn geval dus ruim. Ik ben wel sneller moe en dan ook echt in de zin van: ik kan niet meer. Ik moet ook niet meer de extremen opzoeken, niet meer in één ruk naar Spanje rijden. Dat levert ook weer mooie dingen op, want kleinere etappes betekenen meer fraaie tussenstops. Maar goed, ik werk gestaag door. Als ik een boek af heb, zoals nu, is het volgende vaak alweer klaar. 

Niet dat ik haast heb. Eerder het tegenovergestelde. Ik ervaar een soort rust en heb geen grote toekomstplannen. Het leven zoals het nu is, moet ik vasthouden. Met mijn vrouw, mijn zoon, zijn vriendin, het leventje dat ik leid. Ik heb absoluut niet iets van: ik moet nog zoveel boeken schrijven. Liever wat minder.Pablo is al weer boven de 30. Hij leest als eerste een manuscript en als een nieuw boek verschijnt, maken we met ons tweeën korte video’s waarbij ik fragmenten voorlees op instagram. Het leven samen is ongelooflijk fijn, maar wat morgen brengt, daar denk ik weinig over na. Misschien blijf ik wel het langste ­leven van het ouderpaar, je weet het gewoon niet. De controles zijn iedere keer spannend, maar als het dan weer goed is, denk ik: nou, ik heb weer zes maanden vakantie. Ik heb me voorgenomen geen dingen meer te doen die ik niet leuk vind. De tijd die ik heb, wil ik met mijn geliefden delen. Samen naar Barcelona, of ons huis in Zeeuws-Vlaanderen. Weet je wat het is? Ik wil alles meemaken, zoals het nu is. En ik wil vooral mijn naasten geen verdriet doen met mijn dood. Jezus! Dat wordt vast de kop van dit verhaal. Nee? Goed zo.”

Auteur