VUT'ters weg, maar premie nog tot 2021

Dit en volgend jaar worden de laatste VUT'ers 65, en gaan met pensioen. Waarom moeten bijna alle werknemers dan toch nog een VUT-premie betalen?

Als mensen de moeite nemen zich door het labyrinth van het loonstrookje te ploegen, zien ze aan de kosten-kant nog steeds de VUT-premie staan. Het bedrag varieert per bedrijfstak en per werknemer van enkele tientjes tot meer dan 100 euro per maand. Ook volgend jaar zal dat weer het geval zijn, al gaat er sinds 2001 bijna niemand meer met de VUT.

Hoe kan dat? Waar gaat dat geld dan naartoe?

VUT was 'remedie' tegen jeugdwerkloosheid

De VUT werd halverwege de jaren '70 gelanceerd als een soort wonderpil (of wanhoopsoffensief) tegen de jeugdwerkloosheid. Mensen van 57 jaar en ouder moesten versneld plaats maken voor jongeren. Uit de opbrengst van de VUT-premie die werkenden moesten ophoesten naast hun pensioen, werd de regeling betaald.

Maar eigenlijk al bij de lancering werd duidelijk dat de regeling onbetaalbaar zou worden, als de vele naoorlogse babyboomers aan de beurt zouden zijn. Er zouden niet genoeg werkenden meer zijn om het geld voor de ’vut-gangers’ op te hoesten. Bovendien ging men gaandeweg anders denken over het op relatief zeer jonge leeftijd stoppen met werken. Niet alleen omdat de ouderen gewoon nodig werden op de arbeidsmarkt, maar ook omdat niet iedere vroeg gepensioneerde echt blij was met die overdaad aan vrije tijd. Tenslotte is het niet iedereen gegeven zijn vrije tijd op te vullen met commissariaten, wereldreizen of afspraakjes met de pro op de golfbaan.

VUT-premie nu ter versterking prepensioen

In 2001 werd de VUT dan ook om zeep gebracht, zonder dat de premie werd afgeschaft. Dat was natuurlijk logisch, omdat de mensen die in de regeling zaten nog betaald moesten worden. Maar ook nu de laatste VUT'ers 65 jaar worden en dus uit de regeling gaan en aan hun pensioen beginnen, blijft de premie in veel bedrijfstakken bestaan.

Door de premie te blijven heffen kon het pensioen van de deelnemers versterkt worden en met wat fiscale steun een prepensioenregeling van de grond komen. Vertrek op 57,5 jaar zat er weliswaar niet meer in, maar 62 jaar zou nog wel kunnen lukken.

Sinds 2006 is echter ook het prepensioen in verval geraakt, nadat de minister van financiën van het vorige kabinet de fiscale voordelen van het spaarsysteem schrapte. Er kwam wel een overgangssysteem, waardoor werknemers die geboren zijn voor 1950 nog steeds recht hebben op een prepensioen, dat ze naar keuze kunnen invullen. ’Naar keuze’ betekent: vroeg stoppen en een lager pensioen ontvangen, of langer doorwerken en een hoger pensioen krijgen. Daar wordt de VUT-premie nu grotendeels voor gebruikt.

In principe pas in 2021 einde aan VUT-premie

Maar de mensen die nu 58 jaar of jonger zijn, zullen door moeten werken tot ze met pensioen gaan. Dat is doorgaans op 65-jarige leeftijd. Zij hebben in hun werkzame leven misschien wel 30.000 euro aan VUT-premie betaald, maar zien daar weinig van terug. In principe pas in 2021 houdt die VUT-premie op, het jaar waarin het systeem wettelijk moet worden afgebouwd.

Het geld wordt gebruikt om de (pré)pensioenen van de mensen verder op te bouwen en te versterken.

Overigens: bedrijfstakken hebben afwijkende regelingen. In 2005 maakten ambtenaren en onderwijs afspraken over de mogelijkheden van vervroegde uittreding. Uit dat akkoord vloeide voort dat er voor de financiering van het flexibel pensioen een 'VUT-premie' van gemiddeld 4,48% van het pensioengevend inkomen geheven zou worden. Deze duurt tot 2015.

In de industrie (metaal, elektrotechniek etc) ligt dat percentage op 7. Dit geld wordt ook weer ingezet voor versterking van de pensioenopbouw van de jongeren en het prepensioen voor de werknemers die na 1950 zijn geboren. De VUT is weg, de premie blijft.