8 keer over een psychose

Dingen die u moet weten

Mensen die een psychose gehad hebben, schamen zich er vaak voor. Ook voor hun omgeving is het een taboe-onderwerp. Dat is jammer, want iedereen kan het overkomen.

1. Een psychose verandert de blik op de werkelijkheid.

Iemand die in een psychose zit, is het contact met de werkelijkheid kwijt. Hij hallucineert of heeft wanen, of allebei. Hallucineren betekent dat iemand dingen hoort, ziet, voelt, proeft of ruikt die er in werkelijkheid niet zijn. Wanen zijn overtuigingen die niet kloppen met de realiteit, zoals bijvoorbeeld het idee dat iemand wordt achtervolgd. Ook kan iemand het gevoel hebben dat z’n bewegingen trager verlopen dan normaal, of andere dingen in of aan het lichaam ervaren.

Tijd en ruimte worden vaak anders beleefd. De persoon denkt en praat vaak onsamenhangend en is lastig te volgen. Deze verschijnselen kunnen in een psychose allemaal optreden, maar dat hoeft niet. Een psychose kan dagen tot vele maanden duren. Wanneer iemand vaker psychoses heeft en in de tussentijd slecht functioneert, is er sprake van schizofrenie. Ook bij een bipolaire stoornis en bij depressie kunnen psychoses voorkomen. Maar mensen kunnen ook ‘alleen’ psychotisch zijn.

2. Vooral jongvolwassenen zijn vatbaar.

Als u op uw 50ste nog nooit een psychose hebt gehad, is de kans dat u er voor het eerst één krijgt heel klein. De eerste psychose treedt meestal op tussen het 16de en 23ste jaar. Dat heeft vooral te maken met de ontwikkeling van de hersenen. Wat wel vooral op latere leeftijd voorkomt, is een delier. Daarin heeft iemand ook last van wanen, hallucinaties en/of verward denken. Anders dan bij een psychose is dit van korte duur, zijn de verschijnselen gedurende de dag soms weg en is er een lichamelijke oorzaak. Een delier treedt vaak op tijdens of na een ziekte of ziekenhuisopname, of in het verzorgingstehuis.

3. Iedereen kan een psychose krijgen.

Mannen hebben er ongeveer evenveel kans op als vrouwen. Ook met intelligentie of opleiding heeft een psychose niets te maken. De belangrijkste factoren die bepalen of iemand een psychose krijgt, zijn aanleg (in de genen) en stress. Omgevingsfactoren bepalen mede of deze aanleg of kwetsbaarheid voor een psychose daadwerkelijk tot uiting komt. Een psychose wordt vaak uitgelokt door een heftige gebeurtenis die gepaard gaat met stress, zoals een overlijden, scheiding of andere ontregelende gebeurtenis. Of door een heftige positieve verandering, zoals de geboorte van een kind. Slaapgebrek en drugs- of medicijngebruik kunnen de kans op een psychose vergroten. Dit alles kan maken dat de hersenen moeite hebben om alle informatie te verwerken en dat ­iemand langzaam maar zeker in een psychose raakt.

4. Een beginnende psychose kán vanzelf overgaan.

Als iemand bij de eerste signalen hulp krijgt, kan een beginnende psychose in de kiem worden gesmoord, zelfs zonder behandeling. Die aanloopfase kan weken tot maanden duren.

De volgende signalen kunnen wijzen op een beginnende psychose. Ze hoeven niet allemaal tegelijk voor te komen. Iemand...

  • is teruggetrokken.
  • is schuw of angstig.
  • heeft concentratieproblemen.
  • is prikkelbaar.
  • presteert minder goed op school of op het werk.
  • slaapt slechter.
  • heeft problemen in contacten met anderen.
  • is wantrouwend of achterdochtig.
  • praat in zichzelf.
  • ervaart dingen die er niet zijn.

5. De familie kan veel doen.

Iemand in een ­psychose zal doorgaans zelf geen hulp zoeken; hij heeft zelf niet door dat hij in een psychose zit en gelooft dat de wanen en hallucinaties reëel zijn. Daarom is het belangrijk dat de familie wel hulp zoekt. Hoe eerder, hoe beter, want hoe eerder een psychose behandeld wordt, hoe groter de kans op volledig herstel. Als u te lang wacht, kan het zijn dat iemand al zo achterdochtig is dat hij geen hulp wil. In dat geval kan een naaste advies inwinnen via Korrelatie (T 0900-1450, €0,15 pm). Vaak wordt de huisarts echter te laat ingeschakeld, omdat familieleden de psychose niet herkennen als zodanig maar afdoen als ‘lastig’ gedrag.

6. Ga niet mee in wanen. En er ook niet tegen in.

Een gesprek voeren met iemand die dingen ziet en hoort die er niet zijn of die verward praat, is lastig. Besef dat er onder al die rare uitspraken angst zit, en hulpeloosheid. Richt u op díe gevoelens en benoem ze. Wat geen zin heeft, is de wanen ontkennen (er zijn geen draken buiten) of erin meegaan (wees maar niet bang, de draken zullen jou geen kwaad doen). Wat u beter kunt zeggen, is: "Ik zie dat je bang bent, ik ben er voor je."

7. De isoleercel is zelden nodig.

Daarin wordt iemand alleen opgenomen als hij een gevaar is voor zichzelf of zijn omgeving. Het gebeurt soms dat iemand in een isoleercel wordt geplaatst omdat diegene last heeft van te veel prikkels en dus rust nodig heeft.

8. Een eerste psychose gaat altijd over.

Hoe eerder de psychose overgaat, hoe groter de kans dat er geen nieuwe psychose komt. Behandeling bestaat meestal uit medicatie en psycho-educatie (om meer te leren over psychoses) en psychotherapie (om ermee te leren omgaan). De medicatie is bedoeld om de hersenen zodanig tot rust te brengen dat de gesprekstherapieën gevolgd kunnen worden.

Met dank aan Lidewy Hendriks, psychologe bij Fonds Psychische Gezondheid.
 

Bron(nen):
Trefwoorden:

1 Reactie

Door Sander J Alkemade (niet gecontroleerd) op vr, 20-2-2015 - 21:34

punt 7 is onzin, je komt ook in een isoleercel als er verder geen kamer vrij is, als er die avond te weinig personeel is, of wanneer het personeel je een lesje wil leren, als je aangifte tegen een van hen hebt gedaan. En waarom zit er in een isoleercel geen wc, terwijl er in elke politiecel wel eentje zit? Auteur verspreidt mijns inziens boekenwijsheid.