Welke risico’s loopt mijn kleinkind als het gaat om vaccinaties?

Getty Images

Het RIVM heeft deze week bekend gemaakt dat ze twee miljoen euro uittrekken voor betere voorlichting rondom vaccinaties. De reden: de vele verontruste verhalen over vaccinaties die op het moment rondgaan in de media en op internet. Antwoord op de meest gestelde vragen rond vaccinaties voor jonge kinderen.

Voor dit artikel is gebruikt gemaakt van informatie van het RIVM, de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO), het Amerikaanse Center for Disease Control (CDC) en diverse wetenschappelijke bronnen.

1. Krijgen kinderen bij een vaccinatie ziekmakers ingespoten?

Nee, dat is een misvatting. Bij een vaccinatie worden alleen dode of sterk verzwakte virussen of bacteriën ingespoten. Of zelfs alleen een klein stukje van een virus of bacterie. Van zulke gemankeerde ziekmakers kan een kind niet ziek worden. Maar voor hun immuunsysteem is dit genoeg om het virus of de bacterie voortaan direct te herkennen en aan te vallen. Je kunt het beter zien alsof je het immuunsysteem een heel gedetailleerd plaatje van het virus of de bacterie voorhoudt, zodat het weet dat het hiervoor op moet passen. Net als je kinderen met behulp van plaatjes kunt leren welke dieren gevaarlijk zijn. Gelukkig is het niet nodig om kinderen daarvoor met springlevende slangen of tijgers te confronteren. Verder zitten er in vaccins verschillende hulpstoffen; daarover later meer.

2. Hoe gevaarlijk zijn de ziekten waartegen kinderen worden ingeënt tegenwoordig eigenlijk nog?

De ziektes waartegen kinderen worden ingeënt (difterie, kinkhoest, tetanus, polio, mazelen, bof, rode hond, en een aantal schadelijke bacteriën ) zijn kinderziektes die vroeger vaak veel dodelijke slachtoffers maakten. Of met een hoog risico op ernstige complicaties. Vroeger zat op bijna elke school wel een kind dat gedeeltelijk verlamd was geraakt door polio, of dat doof was of een hersenbeschadiging had opgelopen door mazelen. Ook stierven er honderden kinderen per jaar aan deze ziekten. Dankzij het succes van het rijksvaccinatieprogramma, dat van start ging in 1957, komen deze kinderziekten gelukkig bijna niet meer voor in Nederland. Toch is het gevaar nog niet geweken.

Kinderen kunnen deze ziekten wel oplopen in andere landen. En naarmate er minder kinderen gevaccineerd worden, wordt de kans ook steeds groter dat ze terug kunnen komen in ons land. Bovendien bestaat er voor de meeste van deze ziekten geen goede behandeling; voorkomen is daarom beter dan genezen. Ook tegenwoordig nog ligt de kans om te overlijden aan difterie tussen de 3 en 12 procent (oftewel, als 100 kinderen het krijgen gaan er tussen de 3 en 12 dood), als de infectie in de luchtwegen terecht is gekomen. Als en ander deel van het lichaam is geïnfecteerd, verloopt de ziekte gelukkig milder. Polio verloopt ook regelmatig mild, maar toch raakt één op de 100 à 200 kinderendie de ziekte krijgen verlamd en gaat één op de 1000 à 2000 kinderen die de ziekte krijgen eraan dood. Voor mazelen is het sterftepercentage ongeveer hetzelfde. Dit zijn de cijfers die volgens het RIVM gelden voor Nederland. In arme landen ligt het sterftepercentage nog vele malen hoger. 

3. Hoe zit het met de giftige stoffen die in vaccins zouden zitten?

Dit is een punt van zorg voor veel jonge ouders, omdat hier veel enge verhalen over rondgaan. Maar als het gaat om gif, is het belangrijk om te beseffen dat élke stof giftig is, afhankelijk van de dosis. Zelfs water is dodelijk giftig, als je vijf tot zes liter snel achter elkaar drinkt. De drie stoffen waar mensen het meest ongerust over zijn als het gaat om vaccins zijn kwik, aluminium en formaldehyde. Vroeger zat er een heel kleine hoeveelheid kwik in vaccins. De hoeveelheid was kleiner dan mensen regelmatig binnen krijgen via voedsel, bijvoorbeeld via vis. Bovendien was het geen pure kwik, maar ethylkwik. Dat wordt relatief snel door je lichaam afgebroken en via je ontlasting uitgescheiden. Ook bij jonge kinderen. Omdat er toch veel onrust over dit ingrediënt bleef onder ouders, zit het nu niet meer in vaccins.

Andere mensen zijn bang voor de aluminiumzouten die in een deel van de vaccins zitten, maar ook dit is niet nodig. Aluminium zit ook van nature in ons voedsel en in ons eigen lichaam. Steker nog, baby’s krijgen flink meer aluminium binnen via moedermelk dan dat er in vaccinaties zit. Met de lage dosis uit vaccin kan hun lichaam prima omgaan. Formaldehyde, tot slot, klinkt misschien eng, maar ook dit komt van nature voor in allerlei soorten voedsel. Een enkele peer bevat 120 keer meer formaldehyde dan een vaccin - ook een biologische peer. Bovendien produceert ons lichaam zelf formaldehyde. Het lichaam van een baby maakt ook elke dag meer van deze stof aan dan dat er in een vaccinatie zit. Dat wordt allemaal ook netjes weer afgebroken en afgevoerd; het kind merkt hier niets van.

4. Zelfs al zijn ze niet schadelijk; waarom zitten er zo veel toevoegingen in vaccins?

Toevoegingen zoals de hierboven genoemde aluminiumzouten en formaldehyde worden in dit geval ‘hulpstoffen’ genoemd.  Er zijn twee redenen waarom die hulpstoffen worden toegevoegd. De eerste is om het vaccin beter houdbaar te maken. Het voorkomt dat er schimmels of bacteriën in gaan groeien, die een nare ontsteking kunnen veroorzaken op de plek van de injectie. De tweede reden is dat sommige van deze hulpstoffen het afweersysteem tijdelijk extra actief kunnen maken. Dat zorgt ervoor dat de vaccinatie extra goed werkt. Zo’n stof heet een adjuvans. Aluminiumzouten en de kwikverbinding die vroeger in vaccins zat zijn voorbeelden hiervan.

5. Hoe zit het met de bijwerkingen van vaccinaties?

Vaccinaties kunnen bijwerkingen hebben, maar in verreweg de meeste gevallen zijn die mild. De meest voorkomende bijwerkingen zijn tijdelijke roodheid, een klein bultje of gevoeligheid van de plek van de vaccinatie. Ook verhoging of koorts komt voor; in het geval van de BMR vaccinatie bijvoorbeeld ongeveer 1 op de 10 a 20 kinderen. Deze verhoging of koorts is geen teken van ziekte. Het ontstaat doordat het immuunsysteem tijdelijk erg actief is. Bijwerkingen als deze verdwijnen meestal binnen één of twee dagen. De kans op echt ernstige bijwerkingen is gelukkig heel klein; ongeveer 1 op de paar miljoen. Het gaat dan om bijwerkingen zoals het syndroom van Guillain-Barré of hersenvliesontsteking. De kans om deze zelfde ziekten te ontwikkelen als complicatie van griep, of zelfs een gewone verkoudheid, is hoger dan de kans om ze op te lopen van vaccinaties. Al met al zijn vaccinaties dus een stuk minder risicovol dan de ziektes waartegen ze beschermen.

6. Kunnen vaccinaties autisme veroorzaken?

Nee. Dit idee is ooit de wereld in geholpen door een Britse arts genaamd Andrew Wakefield. Maar geen enkele arts of onderzoeker na hem heeft dit kunnen bevestigen. Na een paar jaar bleek dat Wakefield gefraudeerd had met onderzoeksgegevens. Zijn artikel over het mogelijke verband tussen autisme en vaccinaties is teruggetrokken uit het wetenschappelijke tijdschrift waar het in gepubliceerd was. Wakefield raakte als straf zijn artsenlicentie kwijt en mag nooit meer geneeskunde bedrijven.

7. Lopen mijn kleinkinderen gevaar als hun ouders ze niet inenten?

Hier in Nederland valt het gevaar gelukkig mee. Kinderen worden in ons land beschermd door een verschijnsel dat groepsimmuniteit heet. Als 90% tot 95% van de kinderen is ingeënt, maken ziektes heel weinig kans om zich te verspreiden. Mocht een ziekte zoals mazelen opduiken op een plek waar zo’n hoog percentage van de kinderen gevaccineerd is, dan zal de ziekte snel weer verdwijnen. Maar er zijn ook plekken in ons land waar het percentage gevaccineerde kinderen onder deze grens ligt. Dat is bijvoorbeeld zo in het gebeid dat wel de ‘bible belt’ wordt genoemd, en lokaal in grotere steden. Op deze plekken kunnen wel epidemieën. Zoals in 2013-2014 nog met de mazelen is gebeurd. Dan loopt een kind dus het risico dat beschreven is bij vraag twee.

Om zulke epidemieën te voorkomen probeert het RIVM de vaccinatiegraad zo hoog mogelijk te houden. Daarnaast is het voor niet-gevaccineerde kinderen een risico om naar landen te reizen waar de ziekten waartegen wordt gevaccineerd nog wel voorkomen. Het gaat daarbij niet alleen om verre landen. Zo is mazelen aan het terugkeren in Europa omdat er in verschillende landen, waaronder Spanje, Frankrijk en Groot-Brittannië, te weinig gevaccineerd wordt.

8. Zijn niet-gevaccineerde kinderen gevaarlijk voor andere kinderen?

De kans dat een niet-gevaccineerd kind een kind dat wel is gevaccineerd ziek maakt, is heel klein. Maar wat lang niet alle ouders beseffen: er is óók een grote groep kinderen die wel gevaar lopen. Namelijk de kinderen die te jong zijn om gevaccineerd te worden, of die vanwege een immuunziekte niet gevaccineerd kunnen worden. Om nogmaals mazelen als voorbeeld te nemen: baby’s worden hier pas tegen ingeënt als ze 14 maanden zijn. Voor die tijd kunnen ze de ziekte wel krijgen. En dat gevaar is helaas reëel. Mazelen is een heel besmettelijke ziekte, en kinderen kunnen mazelen al aan elkaar doorgeven voordat ze symptomen zoals koorts of de rode vlekjes krijgen.

Dit gebeurde bijvoorbeeld tijdens de mazelenuitbraak van 2013/2014 in Den Haag. Een jongetje van 8 maanden, dat dus nog te jong was om gevaccineerd te worden, is toen bijna overleden aan de ziekte. Hij raakte besmet op de kinderopvang via een ouder, bewust niet gevaccineerd kind dat de ziekte onder de leden bleek te hebben. Om dit voortaan te voorkomen wordt er op het moment druk gediscussieerd of kinderopvanginstellingen kinderen waarvan ze weten dat deze niet gevaccineerd zijn mogen weigeren. Zodat ook de te jonge kinderen en kinderen met immuunziekten toch beschermd zijn.

Wat vindt u?

Wij zijn benieuwd wat uw ervaringen zijn. Reageer in het veld onderaan de pagina.

Auteur 
  • Nadine Böke