Een fietstas vol Hollandse kaas

Journaliste Linda van de Pavoordt fietste 3 dagen door het oer-Hollandse veenweide­gebied in de Randstad: wolkenluchten, akkers, koeien en… kazen. Ze proefde, natuurlijk ook in Gouda, van de lekkerste.

Dag 1: Gouda

De Zwitser naast me – ik sta voor de balie in de zeventiende-eeuwse Goudse Waag in Gouda – kan met moeite zijn argwaan verbergen. Hij wil kaas proeven, maar of de dames achter de balie van de VVV wel begrijpen dat hij uit Zwitserland komt. Waar het kaasniveau hoog ligt, wil hij maar zeggen. De dames achter de balie glimlachen vriendelijk maar zelfverzekerd. Ze weten dat hij niet teleurgesteld zal worden en sturen hem naar de markt en naar ’t Kaaswinkeltje, dat meer dan tweehonderd kazen op voorraad heeft, waarvan het grootste deel boerenkazen. Ik ga straks zelf onderzoeken, maar eerst loop ik een rondje over de kaasmarkt. Hier vindt het eeuwenoude handjeklap tussen de opgestapelde kazen plaats. Natuurlijk is het tegenwoordig vaak een toneelstukje, maar het is wel waarheidsgetrouw. De meeste van de boeren en handelaren zijn gepensioneerde Gouwe­naren die het leuk vinden om te laten zien hoe het er – nog niet eens zo héél lang geleden – aan toe ging. Na het keuren en het onderhandelen over de prijs gingen de kazen naar de kaaswaag om het exacte gewicht te bepalen. De originele weegschaal hangt er nog steeds.
Tijd om te proeven! In Museum­havencafé ’t IJsselhuis van Dick Winkelman en zijn zoon Herman. Een van Dicks favorieten is de ‘Doruvael’: “De samenvoeging van: ‘door ruilverkaveling van elders’ – zo heet ook de boerderij waar hij wordt gemaakt.”

Dag 2: Fietsen door de Krimpenerwaard

De volgende dag komen de pinken van kaasboeren Henriëtte en Adrie van Eijk uit Vlist aangehold. Na hun sprint blijven deze jonge koeien, die bekend zijn om hun nieuwsgierigheid, op een metertje afstand abrupt staan. Ze observeren me met hun zachte ogen met sierlijke wimpers. Dan waagt de eerste het om een stap verder te doen. In een mum van tijd ben ik omringd door bonkige koppen en onderzoekende lippen. Hoewel het zachtaardig gaat, blijft het een groepje onstuimige jonge­ren. Henriëtte en Adrie – in 2015 landelijk de winnaars van de kaastrofee Cum Laude met de lekkerste Goudse boerenkaas – staan elke dag rond vijf uur op om te melken. “De koeien zijn een belangrijk deel van ons leven en je hebt zo je favorieten. Sommige lopen wel tien of vijftien jaar op je erf rond. Als zo een dan weg moet, dan denk je weleens: potverdrie”, geeft Adrie desgevraagd toe. Ik stap weer op de fiets en volg de slingerende Vlisterdijk.

In Stolwijk staat Tina Verhoef van geitenboerderij MooiMekkerland in de boerderijwinkel. “Er zijn best veel geitenboeren in Nederland”, vertelt ze, terwijl ze me feta met basilicum uit eigen tuin laat proeven. “Maar de meesten maken zelf geen kaas, want het is arbeidsintensief.” ­Wanneer ik aan het einde van de dag met fietstassen vol boerenkaas weer richting Gouda fiets en de zon al wat lager aan de hemel staat, zie ik ­tractors met karren vol gras en hooi. De boeren zijn druk bezig om alles nog droog van het land te krijgen, want volgens de voorspellingen gaat het morgen regenen.

Dag 3: Woerden & Oudewater

Ik mag een kijkje nemen in het indrukwekkende kaaspakhuis in Woerden waar de bekende Reypenaer ligt. De luchtvochtigheid en de temperatuur worden nog steeds geregeld door het openen en sluiten van de houten luiken. Als ik een ‘kaasscheidsmeester’ – een soort scheidsrechter die erbij wordt gehaald als een boer en een handelaar onenigheid hebben – vraag of er nog steeds middels handjeklap wordt gehandeld, is het antwoord vurig: “Jazeker! Dat gebeurt nog regelmatig. Het is een psychologisch spel: de kracht waarmee je slaat, de manier waarop je de ander in de ogen kijkt, dat werkt allemaal mee.” Als ik in Oudewater aankom, lijkt iedereen op het terras op de historische stenen brug in het centrum te zitten. Het stadje was ooit stinkend rijk, niet alleen door de kaas, maar vooral door de hennep. In de achttiende eeuw kwam daarin de klad en was er geen geld meer om nieuwe huizen te bouwen. Wat een geluk, want daardoor staan er in dit stadje met slechts 10.000 inwoners nu ruim driehonderd monumentale panden. Ik bezoek het verrassende Touwmuseum De Baanschuur, laat me wegen bij de Heksenwaag en ontdek in de winkel van ’t Kaasmeisje (Bianca Vlooswijk) dat die lekkere Doruvael van de boerderij van haar ouders komt. De laatste kaasboerderij die ik aandoe, is De Ruyge Weyde, waar Rien en Teuni van Vliet de Ruygentaler maken. “Een boerenkaas met grote gaten en een zoetige smaak vanwege het Zwitserse zuursel”, legt Rien uit. Dat doet me denken aan de Zwitser bij de VVV van Gouda. Die is nu vast op weg naar huis, met heel waarschijnlijk net als ik een tas vol Hollandse ­boerenkaas.

Ook kaas van de boer?

Dat kan van april tot eind augustus op de ­kaasmarkten in Gouda op donderdagochtend en in Woerden op zaterdagochtend, of ­rechtstreeks bij de boer:

Het Groene Hart in