'Ik ben ongelukkig in mijn huwelijk'

Wim en ik eten altijd op de bank, voor de televisie. Daar schaam ik me voor, zelfs onze kinderen weten het niet. Toen zij nog thuis woonden, mocht dit nooit van mij. Maar nadat ook de jongste op zichzelf was gaan wonen, zag ik steeds meer op tegen de avond-maaltijd. Alleen al de gedachte dat we weer zwijgend tegenover elkaar zouden zitten, maakte dat ik geen trek meer had.

Achteraf is het een zoveelste beslissing die ik betreur. Beter had ik het probleem bij de wortel aan kunnen pakken. Maar dat heb ik nooit gedurfd. Zie mij nu, 70 jaar. Voor een scheiding vind ik het echt te laat. Terwijl ik daar al bijna net zo lang over nadenk als dat ik getrouwd ben. 

Ooit ben ik erg verliefd geweest op Wim. Ik weet nog hoe hij mij aan het lachen kon maken met zijn droge grapjes. En in onze verkeringstijd was hij heel attent. Vol overtuiging keek ik de ochtend van onze bruiloft in de spiegel. Ik wist zeker dat wij 
samen heel gelukkig zouden worden. 

Na een half jaar had ik al twijfels. Elke dag samen met Wim was niet zo fijn als ik had verwacht. Hij was vaak stil, teruggetrokken en zijn hartelijkheid leek verdampt. Grapjes maakte hij alleen nog tegen anderen. Alsof hij zijn best niet meer hoefde te doen nu hij de buit binnen had. Ik heb twee keer een miskraam gekregen. Wim reageerde nauwelijks op mijn tranen. In die tijd heb ik serieus overwogen om bij hem weg te gaan. Maar wat zouden mijn ouders zeggen? Onze omgeving? Ik twijfelde tot ik opnieuw zwanger werd. Dit keer ging het wel goed. En daarmee was de keuze gemaakt. 

Er volgden nog twee kinderen. De liefde die ik vond bij hen maakte veel goed. Door het moederschap kon ik vergeten hoe erg ik Wims betrokkenheid miste. Zijn warme arm als het eens moeilijk was. Maar hij werkte hard en zorgde in financieel opzicht goed voor ons. Ruzie was er zelden. Dus dan kon ik mijn kinderen hun vader toch niet ontnemen? Toch dacht ik in die jaren vaak: mijn tijd komt nog wel. Soms was ik sluimerend verliefd en fantaseerde ik over een heel ander leven. Later, als de kinderen het huis uit waren, dan… Maar toen het zover was, was ik te onzeker om mijn dagdromen waar te maken. Telkens vond ik wel weer een excuus. Ik werd steeds eenzamer en kan nu niet meer ontkennen dat ik ronduit ongelukkig ben met Wim. We leven langs elkaar heen. Als hij tegen me praat, gaat het altijd over iets praktisch. Nooit vraagt hij me wat ik denk, hoe ik me voel. We zitten onze tijd uit, zo voelt het vaak. 

Ik sus mezelf door me in te prenten dat het allemaal nog veel erger kan. Maar zijn starre rug die in bed naar mij is toegedraaid went nooit. Sinds twee van mijn zussen overleden zijn, besef ik meer dan ooit dat het leven eindig is. Dit is wat ik ervan gemaakt heb, en hoewel ik heel blij ben met mijn kinderen, voel ik me toch mislukt. Ik had mijn huwelijksbelofte moeten verbreken, wat de gevolgen ook waren geweest. Helaas kan ik het nooit meer overdoen.”