Opa’s van nu

Opa’s van nu zijn niet te vergelijken met hun eigen grootvaders. Neem Dirk Berkhof (66), opa van acht kleinkinderen in de leeftijd van 4 tot 15 jaar. “Ik app nu gewoon met mijn kleinkinderen.”

‘Ik ben een echte doe-opa’

‘De kleinkinderen ervaar ik als de bonus in mijn leven: ze betekenen veel voor me. Ik vind het vreselijk leuk om ze te zien opgroeien en daar een bijdrage aan te leveren. Ik ben een echte doe-opa. Ik ga graag met ze op pad: naar het zwembad, museum, pretpark, de bioscoop. Hier thuis doe ik spelletjes of ik ga met ze voetballen of verstoppertje spelen. Zij genieten daar enorm van – en ik ook. Heerlijk die blije koppies. 

Met Tijs, de oudste, heb ik eens per jaar een Tijs/Opa-dag waarbij we om de beurt de bestemming kiezen. Meestal maken we een stedentrip in Nederland met een culturele activiteit en lekker eten. ­Prachtdagen zijn dat. Het verschil met mijn eigen opa – ik had er maar één – is groot. Ik heb hem eigenlijk niet anders gekend dan zittend in z’n leunstoel met z’n onafscheidelijke sigaar en glaasje beerenburg. 

Hij kwam nooit bij ons; reizen kon hij niet meer. Hij woonde in Drenthe op een boerderij, waar mijn tante met haar gezin ook woonde. Wij woonden toen in Nijmegen. Als kind ging ik daar altijd de hele zomervakantie logeren. Dat vond ik prachtig: lekker in de buitenlucht, helpen op het land en koeien melken. Mijn opa was dan heel aardig hoor, maar afstandelijk, formeel. En niet mobiel. 

Ik sta langs de lijn bij een belangrijke voetbal- of judowedstrijd. Soms ga ik mee met paardrijden en ik ben er als ze hun zwemdiploma halen. Onlangs ging ik zelfs met de klas van mijn kleindochter mee naar een boerderij om lammetjes te kijken. Zo was ik als vader ook: actief en betrokken. Ik interesseer me voor waar ze mee bezig zijn en vind het leuk om ze daarbij te volgen en er met ze over te praten. Of te appen tegenwoordig. Er is geen afstand, het gaat allemaal heel natuurlijk; dat vind ik ook zo leuk.”

Rol grootouders verandert

“Vijftig jaar geleden was opa zijn best bijzonder. Velen haalden die levensfase niet, omdat men niet zo oud werd”, zegt Pearl Dykstra. Als hoogleraar empirische sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam doet ze onder andere ­onderzoek naar familieveranderingen. 

“Sindsdien is de ­levensverwachting flink toe­genomen; mensen blijven ­langer gezond en velen zijn welvarender. Daarbij hebben groot­ouders van nu veel minder kinderen én kleinkinderen. Dus kunnen ze hun meer aandacht geven. Er wordt veel meer gekoesterd.” 

Dat grootouders veel oppassen, is volgens Dykstra vooral iets van de laatste dertig jaar, sinds veel meer vrouwen buitenshuis zijn gaan werken. “In Nederland zijn we niet zo gecharmeerd van formele kinderopvang; veel ouders hebben liever dat de (schoon)ouders oppassen – en die doen dat doorgaans graag.” 

Naar specifiek de rol van opa’s is – ook internationaal – weinig onderzoek gedaan. Maar volgens Dykstra zijn het toch nog vooral oma’s die oppassen, ook omdat mannen vaker nog werken als ze – gemiddeld rond hun 55ste – opa worden. “Hun actieve opa-rol komt vaak pas na het pensioen. Daarvoor geldt: oma past op en opa gaat soms gezellig mee.”

‘Onbewust wil ik misschien wel iets goedmaken’

Als vader had hij nooit een luier verschoond, maar bij zijn kleindochters Fien (2,5) en Saar (6 maanden) draait ­Herman Poelstra (68) er zijn hand niet voor om. Sinds Fien 4 maanden is, past hij, deels met zijn vrouw Tonny, twee dagen per week op.

“Als je ziet hoe Fien hier aankomt als Dieuwke, haar moeder, haar brengt: met een big smile stormt ze naar binnen. ‘Opa, oma.’ Het is hier voor haar zo vertrouwd. Dat ontroert me. Een keer was ze ziek thuis en opa moest komen. Ik kom binnen, ze legt een kussen op mijn schoot, legt haar hoofd erop en valt in slaap. Dat zijn zulke speciale momenten, die ik met Dieuwke en haar broertje Querijn eigenlijk nooit zo heb gehad. 

Toen zij zo klein waren, deed Tonny toch veel meer, en zeker het verzorgende: luiers verschonen, flesje geven, in bad doen. Ik werkte fulltime en was ook ’s avonds vaak weg. Ik kijk er niet met spijt op terug, het was toen zo, maar onbewust wil ik misschien wel iets goedmaken wat Dieuwke heeft gemist. 

Die twee dagen ben ik er ­volledig voor Fien – nu soms met Saar. Ik geniet er enorm van, maar vind het soms best zwaar. Zeker de ochtenden, als ik het alleen doe; Tonny werkt dan nog. Fien was geen gemakkelijke baby. Ze sliep slecht en huilde veel. Ik heb heel wat uren met haar gewandeld. De leeftijd die ze nu heeft, vind ik leuker. Ik ben van het voorlezen en spelen op de grond. Ook ga ik vaak met d’r naar de bieb of naar het speeltuintje. 

Van mijn eigen opa van ­vaders kant herinner ik me niet dat ik ooit iets met hem heb gedaan of daar logeerde. Hij had, net als mijn vader, een eigen groentezaak. En toen hij stopte, was hij al oud en op. Bij mijn grootouders van moeders kant in Abcoude heb ik wel gelogeerd; dan zat ik veel bij opa in de schoenmakerij. Daar heb ik warme herinneringen aan. 

Ik ruik nog die speciale lijmgeur, lekker vond ik dat. Het was er knus en gezellig met klanten die in en uit liepen. Soms hielp ik mee met de schoenen sorteren en op ­zaterdag mocht ik bij hem achter op de fiets langs de boerderijen om schoenen weg te brengen en op te halen. Mijn band met hem was goed, maar niet te vergelijken met de band die ik nu met Fien heb. Via zijn werk besteedde opa tijd aan mij; buiten zijn werk was er geen tijd.”

Bron(nen):