Winterhaat

Sneeuw, ijs, gladheid. De winter is nu echt in het land. Niet iedere Nederlander is gek op winterse dagen. Roos Verlinden vindt de winter zelfs verschrikkelijk...

Twee dingen houden me op de been. Waterdichte laarzen met profielzolen en de gedachte dat het voorjaar komt.

Er moeten meer mensen zijn zoals ik. Ietwat tobberige typen, die de winter haten. Die niets romantisch zien in het wit dat weerloze bomen in gijzeling neemt. Die schaatsen haten en die de wurggreep van de zenuwen als een dikke das om hun keel voelen als zij naar buiten moeten.

Want je kunt uitglijden, je botten breken, longontsteking oplopen. Of gewoon gesprongen lippen, couperose wangen, winterhanden en dode tenen.

Winterjeugdtrauma’s, echt waar, liggen eraan ten grondslag. Door scheurende hakkenbanden, verloren wanten, doorlekkend schoeisel en bovenal die vreselijke eenzaamheid.

Want ouders riepen dat winterweer heerlijk en gezond was. En drongen je een extra lepel levertraan op voor je klappertandend in je kamertje nog even naar die prachtige ijsbloemen mocht kijken. En vriendjes schaatsten zonder te vallen. Vriendinnetjes droegen twéé paar wanten en zelfs kittige mutsjes. Of parmantige en nimmer falende witgelaarsde schaatsjes.

Die eenzaamheid, van de Jan Doedel langs de kant, met aan de voeten roestige, botte schaatsen die twee maten te groot of te klein waren, keert je leven lang met hondentrouw elke winter terug.

Ze houden zich stil, de winterhaters. Ze schuilen achter de kachel en sluipen hoogstens af en toe naar de keuken om de erwtensoep voor schaatsende gezinsleden om te roeren. Vanachter een masker van glimlach luisteren ze naar de verhalen over ijspret. Ze knikken bevestigend als gesteld wordt dat we leven in een kerstplaatje. En ze doen alsof ze teleurgesteld zijn dat de Elfstedentocht niet doorgaat. Je hoort ze niet. Ze lijden in stilte. En smeken om oceaanstoringen en uiterst royale ruggen van lage druk.

Ze kijken voorzichtig naar buiten en speuren tegen beter weten in naar sporen van dooi. Druipt die tak daar? Mindert de laag sneeuw op de schuur? Maar, och arm, wat zitten de mezen en mussen te kleumen in opgeblazen verenpakken. En ze snijden dikke boterhammen in hapklare brokken.

Terug bij het raam proberen ze voor de duizendste maal schoonheid te ontdekken in de bezoedelde maagdelijkheid van de natuur. Om wéér te belanden bij die enige gedachte die door het sprookjeslandschap opgewekt wordt: ik vind er niks an.

Sterker, ik haat dat gore wit. Ik haat die in zichzelf gekeerde ellendelingen, die met hautaine kriskrasbenen en achter de horizon gerichte blik voorbij suizen. Die knusheid bij de koek en zopie en…maar wat hoor ik? Wat hoor ik?

Een koolmees zingt zijn eerste voorjaarslied, wervend naar zo’n door mij gevoederd wijfje. Winterhaters, hou moed. Er zijn profielzolen om vaste grond onder de voeten te houden. En de gedachte dat het, lekker pùh, toch véél langer voorjaar, zomer en herfst dan winter is.

Auteur