Lijfrente komt vrij, wat nu?

Jaren geleden een lijfrenteverzekering afgesloten, ieder jaar netjes premie betaald en nu komt het kapitaal vrij. En dan? Wat doe je ermee? Want de fiscale regels en producten zijn inmiddels veranderd.

Ieder jaar staan duizenden mensen voor de vraag hoe ze hun vrijvallende lijfrentekapitaal het best kunnen besteden. Naar schatting hebben we in totaal zo’n 4 miljard euro bij elkaar gespaard in deze vorm. Meestal om extra pensioen op te bouwen. De bedoeling van een lijfrente is om met het vrijkomende kapitaal een tijdelijke of levenslange uitkering te kopen bij een verzekeraar, bank of vermogensbeheerder. Een lijfrente loopt dus heel lang: u bouwt eerst jarenlang een vermogen op dat je daarna jarenlang laat uitkeren.

Maar let op! Veel mensen denken dat de uitkering van de lijfrentes verzorgd moet worden door dezelfde partij als waar de lijfrente is opgebouwd. Dat is een hardnekkig misverstand. U heeft de vrijheid om de uitkering door een andere aanbieder te laten verzorgen. Het maakt daarbij niet uit of uw lijfrente bij een verzekeraar-, bank-, of beleggingsinstelling is opgebouwd.  Is de uitkering van uw lijfrente aanstaande? Dan kan het lonen om offertes aan te vragen bij verschillende aanbieders. Kijk daarbij naar de maandelijkse/jaarlijkse uitkering, kosten en voorwaarden.

Belastingvoordeel

De betaalde lijfrentepremies mocht je meestal aftrekken van de inkomstenbelasting, maar bij het vrijvallen van de lijfrente moet je alsnog belasting betalen. Daar zit het mogelijke voordeel van een lijfrente, want na de AOW-leeftijd betaal je in de eerste en tweede schijf minder belasting. Voorwaarde is dat je je aan de spelregels houdt. Wie eerder laat uitkeren (ook wel: afkoop), moet in principe direct afrekenen met de belastingdienst. Dat valt vaak vies tegen: de belasting kan oplopen tot meerd dan 70 procent.

De bedoeling van een lijfrente is om met het vrijkomende kapitaal een tijdelijke of levenslange uitkering te kopen bij een verzekeraar. Een lijfrente loopt dus heel lang. Je bouwt eerst jarenlang een vermogen op, dat je daarna jarenlang laat uitkeren. Maar in de loop der jaren zijn regels veranderd, mogelijkheden verdwenen en nieuwe producten op de markt verschenen. Binnen de fiscale lijntjes ­blijven is nu dus anders dan bij het afsluiten.

Hogere AOW-leeftijd

De belangrijkste verandering is het verhogen van de AOW-leeftijd. De periode tussen het vrijkomen van de lijfrente en de pensioendatum is daardoor voor bijna iedereen langer dan verwacht. Er zijn dan twee mogelijkheden: toch laten uitkeren, zelfs als je nog niet met pensioen gaat. Of een tijdje doorgaan met opbouwen.

Laten uitkeren, of formeel: een uitkering kopen, vóór de AOW-leeftijd is minder gunstig.

Wie de AOW-leeftijd wel heeft bereikt, betaalt minder belasting. Daar komt bij dat alleen lijfrentekapitaal dat is opgebouwd vóór 2014 vanaf het 65ste jaar mag worden uitgekeerd. Wie na 31 december 2013 niets meer heeft gestort of ingelegd, mag het volledige saldo, inclusief de rente, gebruiken. Wie na 31 december 2013 wel geld heeft ingelegd op dezelfde rekening, mag alleen 
het saldo per 31 december 2013 gebruiken.

De meeste mensen kiezen er daarom voor de lijfrente uit te stellen tot hun AOW-leeftijd.

Banksparen

Doorgaan met opbouwen betekent meestal dat het vrijkomende lijfrentekapitaal wordt omgezet in banksparen. Door de lage rente en de relatief hoge kosten hebben verzekeringsproducten zich inmiddels uit de markt geprijsd. Banksparen heeft vergelijkbare fiscale voordelen en er zijn geen dure verzekeringselementen. Het geld wordt op een geblokkeerde spaarrekening gestort en het ­kapitaal kan doorgroeien of gebruikt worden voor een uitkering.

Bij een bankspaar-opbouw­rekening is er keuze uit een variabele spaarrente en een vaste spaarrente. Nu ontlopen die twee rentepercentages elkaar nauwelijks, dus veel mensen kiezen voor een flexibele rente. Het blijft dan altijd mogelijk om het saldo vast te zetten tegen een vaste rente. Doorsparen kan tot vijf jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd.

Beleggen?

Zowel lijfrente als banksparen lijden onder de lage rente. Dat betekent dat het pensioenvermogen minder groeit en dat kan leiden tot lagere maandelijkse aanvullingen op het pensioen. Daarom zijn er steeds meer producten gebaseerd op beleggen in plaats van sparen. Dat brengt meer risico met zich mee, maar ook de kans op een hoger rendement. En soms ook de mogelijkheid om bij aanvang van het pensioen een hoger bedrag uit te keren.

 

Oud of nieuw regime

Vroeg of laat moet van het ­lijf­rentekapitaal een uitkering worden gekocht. Je hoeft ­daarbij niet op stel en sprong een ­beslissing te nemen. Er is bedenktijd: op uiterlijk 31 december van het kalenderjaar ná het kalenderjaar waarin de lijfrenteverzekering afloopt, moet je een keuze maken. Het is belangrijk op tijd de knoop door te hakken, anders wordt de lijfrente uitgekeerd en dan heeft dit grote nadelige fiscale gevolgen.

De mogelijkheden verschillen per type lijfrente. Begin jaren 90 is de belastingwetgeving veranderd en sindsdien is er een verschil tussen ‘oud regime’ en ‘nieuw regime’. Een oud regime is met gespreide inleg afgesloten vóór 16 oktober 1990 of vóór 1 januari 1992 als het een eenmalige storting (koopsom) was. Lijfrenteverzekeringen die later zijn afgesloten, vallen onder het nieuwe regime. 

Een oud-regimepolis geeft meer mogelijkheden. Je mag de polis schenken of in één keer laten uitkeren. Bij een nieuw-regimepolis mag dat niet. Ook zijn de mogelijkheden bij oud regime om voor het 65ste jaar een uitkering aan te kopen soepeler. Lang niet iedereen heeft behoefte aan die extra mogelijkheden. In dat geval kan het lucratiever zijn over te stappen naar banksparen. De voordelen van het oud regime vervallen dan.

Tijdelijk of levenslang

Bij de aankoop van een uitkering na het 65ste jaar of na de AOW-leeftijd zijn er twee mogelijkheden: een tijdelijke of een levenslange uitkering. Een tijdelijke uitkering moet minimaal vijf jaar lopen en mag niet meer dan €21.483 (in 2018) per jaar bedragen. Dit geldt voor alle tijdelijke uitkeringen samen. Uitkeringen uit oud-regimepolissen en levenslange uitkeringen tellen niet mee bij deze grens. Bij een groot lijfrentekapitaal is het ook mogelijk een tijdelijke én een levenslange uitkering te kopen. Een tijdelijke lijfrente kan worden afgesloten als banksparen en verzekering.

Een levenslange uitkering kan alleen in de vorm van een ver­zekering worden afgesloten. Dit heet een direct ingaande lijfrente. Met banksparen kan dit niet, maar het is wel mogelijk om via banksparen een uitkering van twintig jaar te kopen, of zelfs langer, bijvoorbeeld dertig jaar. De fiscus beschouwt dit als ‘levenslang’ en dus geldt bij zo’n lange looptijd het maximum van €21.483 per jaar niet.

Overlijden 

In de uitkeringsfase zijn er essentiële verschillen tussen een verzekering en banksparen. Een levenslange lijfrente bij een verzekeraar is echt levenslang. Leeft de verzekerde langer dan verwacht, dan gaan de uitkeringen gewoon door. Gaat de verzekerde eerder dood, dan krijgt de verzekeraar het restant van het kapitaal. 

Bij banksparen is er een pot geld die stap voor stap wordt uitgekeerd. Aan het eind van de looptijd is het geld op en de uitkering stopt. Daarom is levenslang niet mogelijk. Komt de bankspaarder eerder te overlijden, dan gaat de uitkering naar de partner. Is er geen partner, dan ontvangen de nabestaanden het resterende kapitaal na aftrek van erfbelasting.

Privé-vut

Veel mensen hebben via een lijfrente gespaard om eerder te kunnen stoppen met werken. De lijfrente zou bijvoorbeeld uitkeren op het 60ste jaar met het idee ervan rond te komen tot de AOW: 65 jaar. Dat is nu lastig of zelfs onmogelijk. De vut is op 31 december 2005 verdwenen. Wie voor die ­datum is gestopt met ­premie betalen op zijn lijfrente, mag nu het volledige lijfrentekapitaal ­gebruiken. 

Wie na 31 december 2005 toch nog geld heeft ingelegd op de ­lijfrente, kan voor een privé-vut alleen het kapitaal gebruiken dat er op 31 december 2005 was. ­Later bijgeschreven rendement mag je niet gebruiken. 

Kortom, van het totale kapitaal is soms slechts een deel beschikbaar voor een tijdelijke uitkering. En die uitkering moet ook nog eens over een langere periode lopen.

Overbruggen tot AOW

Wie wel voldoende kapitaal heeft om de tijd tot de AOW-leeftijd te overbruggen, krijgt te maken met enkele fiscale spelregels. De tijdelijke uitkering mag op elk moment ingaan en loopt naar keuze door tot het jaar van pensionering, het jaar waarin je 65 jaar wordt of het jaar van de AOW-leeftijd. De maximale overbrugging is €63.288 per jaar en de tijdelijke lijfrente moet worden aangekocht bij een verzekeraar. Banksparen is niet mogelijk. Wel is er een sluiproute: een uitkering via banksparen is mogelijk bij een looptijd van het aantal jaren tot de AOW-leeftijd plus twintig jaar. Wie dat op zijn 60ste doet, krijgt een minimale looptijd voor banksparen van 27 jaar. Blijkt het lijfrentekapitaal te klein om eerder te stoppen met werken, dan zal er weinig anders op zitten dan doorgaan met opbouwen.

Bron(nen):