Nieuw akkoord; wat betekent dat voor ons pensioen? - deel 1

Het nieuwe pensioenakkoord dat regering, ­werkgevers en werknemers onlangs gesloten hebben, heeft grote gevolgen voor onze pensioenen. We zetten de belangrijkste op een rij.

Het Pensioenakkoord kent winnaars en verliezers. De oorzaak hiervan ligt in het besluit de pensioenpremies straks op een radicaal andere manier te gaan innen. In het huidige pensioensysteem betalen alle werkende deelnemers van een pensioenfonds hetzelfde percentage van hun brutosalaris aan pensioenpremie, of ze nu jong of oud zijn (de zogenaamde doorsneepremie).

Alle deelnemers bouwen ook evenveel pensioen op. Omdat jongeren in verhouding minder pensioen terugkrijgen voor de premie die ze in de pensioenpot inleggen (hun inleg kan immers langer renderen en is dus op de pensioendatum veel meer waard dan de inleg van een oudere), betaalt jong eigenlijk voor oud. Dit systeem werkt goed als iedereen zijn hele leven bij dezelfde werkgever werkt. Maar de arbeidsmarkt is veranderd. Mensen veranderen vaker van baan of beginnen voor zichzelf. Inmiddels zijn er al één miljoen zzp’ers.

Eigen potje

In het nieuwe systeem spaart straks iedereen voor zichzelf. We bouwen elk ons eigen pensioenpotje op. Er bestaat geen collectieve pot meer. Wie de winnaars van dit nieuwe systeem worden en wie de verliezers, valt niet makkelijk te voorspellen. Wel tekenen zich vier groepen af.

1. Werkende 60-plussers

Werkenden boven de 60 jaar hebben het meeste voordeel bij de nieuwe pensioenopbouw. Zij hoeven vanwege de tijdelijk bevroren pensioenleeftijd minder lang door te werken dan de huidige jongeren, die straks misschien tot hun 70ste door moeten. Er zit wel een addertje onder het gras. Wie gebruikmaakt van de mogelijkheid om eerder te stoppen met werken, moet er rekening mee houden dat dit tot een lager pensioen leidt. Afhankelijk van het inkomen kan dat tot wel €1000 bruto per jaar schelen.

2. Gepensioneerden

Voor wie al met pensioen is, vermindert de dreiging van pensioenkortingen. In het akkoord is vastgelegd dat de pensioenfondsen minder grote financiële buffers hoeven aan te houden. Dat verlaagt het risico op geldtekorten. Of dat voldoende is, is maar de vraag.

3. Jongeren

Ook de' jongeren' onder de 40 mogen zich winnaars noemen. Zij betalen door het afschaffen van de doorsnee­premie geen ‘subsidie’ meer voor de ouderen. Elke euro die zij in hun pensioen steken, rendeert alleen voor henzelf. Het pensioenfonds beheert al die individuele potjes. Daar staat tegenover dat jongeren in het nieuwe systeem toch nog steeds een wat hogere pensioenpremie moeten afdragen om de verliezende generaties, zoals de generatie 1980, te compenseren voor hun achterblijvende pensioenen.

 4. Generatie 1970-80

De grote klap van het pensioenakkoord komt terecht bij mensen die geboren zijn vóór 1980. Zij hebben in hun jonge jaren meebetaald voor de ouderen. Nu de premiesubsidie van de jongeren wordt afgeschaft, profiteert deze generatie veertigers en vijftigers niet meer van deze extra inleg. Dit levert de komende 25 jaar een gat in hun pensioenen op, dat door het Centraal Planbureau geschat wordt op 50 tot 80 miljard euro. De overheid is niet van plan dit gat voor hen te dichten. Dat zullen de werkgevers en werknemers in de cao’s moeten regelen, zo staat in het akkoord. Hoe deze compensatie er precies uit komt te zien, is nog onduidelijk.

Er zijn wel ideeën over. Eén ervan is de premies nog een tijdje kunstmatig hoog te houden tijdens een overgangsperiode van 25 jaar. Nadeel is dat jongeren hier toch weer voor opdraaien.

Een andere optie is de reserves, die de pensioenfondsen straks niet meer hoeven aan te houden, deels te verdelen onder de veertigers 
en vijftigers. Ook hiervan is het nadeel dat jongeren deze buffers aan hun neus voorbij zien gaan.

Het volgende deel van dit artikel vindt u hier.