De lijfrente vraag: uitbetalen of uitstellen?

Komt het geld van een aflopende lijfrente nu of straks beter van pas? En wat zijn de fiscale gevolgen? PlusOnline helpt u het meeste uit uw lijfrente te halen.

Lijfrente, we zijn er dol op in Nederland. Volgens het Verbond van Verzekeraars hebben ruim 550.000 Nederlanders zo’n 40 miljard euro opgepot als een aanvulling op het pensioen. Maar hoe populair de lijfrente ook is, het is geen eenvoudig product en kopers hebben veel vragen. In dit stuk gaan we in op het belangrijkste dilemma.

Lijfrente: nu of later uitbetalen?

Een lijfrente bestaat doorgaans uit twee verzekeringen. Eén voor de opbouw van het kapitaal. En één voor de uitkering van dat kapitaal, ook wel de afbouwfase genoemd. Het moment dat eerste verzekering afloopt (‘expireert’) is hét moment waarop de twijfel toeslaat. Want wat is beter? De lijfrente laten uitkeren, en zo ja, hoe en door wie? Want u kunt er ook voor kiezen de uitkeringen door een andere maatschappij te laten doen dan waar u het kapitaal hebt opgebouwd. Of is het misschien beter om de uitkering even uit te stellen? Bijvoorbeeld omdat u het geld nu nog niet nodig hebt?

Voor de hand liggende vragen, maar de antwoorden zijn minder eenduidig. Dat komt deels doordat er verschillende producten met hun eigen voorwaarden verkocht zijn, maar ook doordat in de loop van de jaren behoorlijk wat fiscale regels zijn veranderd.

Wie nu niet goed oplet met de lijf­rente, kan daardoor zomaar een flinke aanslag met een boete van 20 procent als deksel op de neus krijgen. U bent dus gewaarschuwd!

Wat moet u doen om een fiscale domper te voorkomen en het beste uit uw lijfrente te halen?

Dat wordt duidelijk aan de hand van een praktijkvoorbeeld.
De nu 62-jarige Paul van den Dries sloot in 1989 een lijfrente af als aanvulling op zijn pensioen. Hij zag toen al aankomen dat hij via zijn werkgever nooit genoeg voor een goede oude dag bij elkaar zou sparen, dus mikte hij destijds op een aanvulling van zo’n €167.000. Daarvoor betaalt hij tot en met 2005 iedere maand premie.

De ­opbouw van het lijfrentekapitaal stopt per 1 december 2009. Daarna kunnen de uitkeringen in principe ­beginnen. Maar er is de afgelopen twintig jaar veel gebeurd. Fiscaal en persoonlijk. Paul is nog steeds getrouwd met zijn vier jaar jongere vrouw, maar hun 26-jarige dochter is tegen de verwachting in nog steeds niet klaar met haar studie. Zij kan wel een extraatje gebruiken. Bovendien heeft Paul – ook tegen de verwachting in – nog veel plezier in zijn werk. Goed salaris, leuke collega’s: hij wil best nog een paar jaar door. Zijn vrouw wil graag genieten nu het nog kan. Wat te doen?

Optie 1: uitkeren

Met dank aan verschillende wets­wijzigingen in de afgelopen twintig jaar, bestaat de polis van Paul nu uit twee stukken. Dat komt door de ­Belastingherziening van 2001. Die herziening kende namelijk alleen een overgangsrecht voor het al opgebouwde kapitaal. Dat is voor Paul €135.500 en wordt gezien als een ‘oud regime’-polis. Sinds 2001 moet Paul voor het nog op te bouwen kapitaal wel een pensioentekort aantonen via een berekening van de jaarruimte.
Dit kapitaal is €31.500. Pauls polis is in 2001 aangepast en maakt nu melding van:

  • Een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule voor het tot 1 januari 2001 opgebouwde kapitaal (€135.500).
  • Een oudedags- en nabestaandenlijfrente onder de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het nadien opgebouwde kapitaal (€31.500).

Paul kan ervoor kiezen het kapitaal in één keer te laten uitkeren, maar dat is niet aantrekkelijk. De fiscus telt dat bedrag dan in één keer bij het inkomen op en dat betekent dat er meer dan de helft naar de fiscus gaat.
Bovendien is afkoop niet toegestaan voor het ‘nieuw regime’-deel. Daarvoor brengt de fiscus dan een boete (revisierente) van 20 procent in rekening. Oppassen dus!

Voor de oud regime-polis van €135.500 is Paul nagenoeg vrij in de keuze van hoogte, duur en aanvang van de uitkering. Wel moet de lijf­rente voorzien in een vaste en gelijkmatige uitkering, bijvoorbeeld elke maand een vast bedrag. Dat bedrag mag nu niet meer dan 2 procent stijgen om de inflatie het hoofd te bieden. De ­lijfrente-uitkering mag levenslang of tijdelijk zijn. Paul kan er zelfs voor kiezen (een deel) aan iemand anders uit te keren. Daarover leest u meer bij optie 3: weggeven. Maar deze flexibiliteit geldt niet voor de nieuw regime-koopsompolis die is afgesloten na 1 januari 1992 of na 15 oktober 1990 voor wie periodiek premie betaalde. Deze zijn slechts om te zetten in:

  • Een overbruggingslijfrente die uitkeert tot 65 jaar of de pensioendatum. Het kapitaal moet in principe zijn opgebouwd voor 1 januari 2006. De ingangsdatum is vrij. De uitkering mag niet meer zijn dan €63.288 per jaar.
  • Een tijdelijke oudedagslijfrente: uitkeringen niet eerder dan 65 jaar en niet later dan vanaf 70 jaar, met een minimale looptijd van vijf jaar. De uitkering mag niet meer zijn dan €20.097 per jaar.
  • Een levenslange oudedagslijfrente: levenslange uitkering met een vrij te kiezen ingangsdatum die ligt voor of na de 65-ste verjaardag, maar niet later dan vanaf 70-jarige leeftijd.

Paul kan er ook voor kiezen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ polis samen te voegen, maar dat is niet verstandig. Dan gelden namelijk voor het hele bedrag de nieuwe (en dus meer beperkte) regels. Wel is het verstandig om bij meerdere maatschappijen offertes op te vragen over de mogelijke uitkering. Uit onderzoek van vergelijkingssite www.independer.nl blijkt namelijk dat dit duizenden euro’s kan schelen. U kunt natuurlijk ook uw eigen tussenpersoon of adviseur raadplegen. Ook het laten uitbetalen per maand, kwartaal, halfjaar of jaar maakt daarbij uit. Sinds kort is het ook mogelijk om een lijfrente bij een bank onder te brengen, maar de mogelijkheden zijn dan beperkt.

Paul kiest voor een offerte die direct ingaat en hem levenslang €8000 per jaar uitkeert op basis van de ‘oud regime’-polis. De nieuwe polis wordt een overbruggingslijfrente die tot 65 jaar €10.600 per jaar uitkeert. Op beide lijfrentepolissen sluit Paul een extra dekking af, zodat zijn vrouw Yvonne bij eventueel overlijden van Paul 70 procent van het uit te keren bedrag ontvangt. Zonder deze extra dekking zou de jaarlijkse uitkering hoger zijn, maar dan zou Yvonne bij overlijden van Paul niets krijgen.

Optie 2: geld parkeren

Maar wat nu als Paul besluit te blijven werken? Dan is het extraatje in de vorm van een lijfrente helemaal niet nodig. Sterker nog: het kan fiscaal ongunstig zijn. De uitkering van de lijfrente wordt immers bij het salaris opgeteld en zo betaal je snel het hoogste tarief. Na pensionering daalt het inkomen vaak en betaal je dus naar verhouding ook minder belasting.

Paul kan zowel de oude als de nieuwe lijfrente parkeren (‘uitgesteld voortzetten’). Het is wel verstandig naar de eventuele kosten en rentevergoedingen te vragen. Die verschillen sterk per verzekeraar en kunnen betekenen dat parkeren ongunstig uitpakt. U kunt uw geld bij een andere verzekeraar parkeren tegen wellicht gunstiger voorwaarden, maar laat u altijd goed informeren over het rendement en de kosten.

Optie 3: weggeven

Paul kan er ook voor kiezen (een deel van) de ‘oude’ lijfrente te schenken aan zijn 26-jarige dochter. Daarover moet hij dan afspraken maken met de verzekeringsmaatschappij. De fiscus ziet de lijfrenteuitkering in principe als inkomen waarover de dochter belasting moet betalen. Maar zij valt waarschijnlijk in een veel lager tarief. Bovendien hoeft hierover in principe geen schenkingsrecht betaald te worden. Voor de studiefinanciering mag de dochter in 2009 geen hoger verzamelinkomen hebben dan €13.215,83. Het verzamelinkomen is de optelsom van box 1, 2 en 3. Mocht Paul komen te overlijden, dan eindigen ook de uitkeringen aan zijn dochter. Dat is te voorkomen door een zogeheten contraverzekering af te sluiten.

Bron(nen):
  • Plus Magazine
Trefwoorden: