Welkom bij het keukentafel-gesprek

Vroeger vulde u een formulier in als u een scootmobiel, traplift of taxipas nodig had. Die tijd is voorbij. In een ‘keukentafelgesprek’ wordt eerst gekeken of andere oplossingen mogelijk zijn. En daar kleven voor- en nadelen aan.

Als burger heeft u niet langer zomaar ergens recht op in de zorg. Want misschien is een traplift niet nodig omdat iemand best in de woonkamer kan slapen. Of zijn de kinderen bereid hun moeder naar de dokter te brengen, waardoor een taxipas niet noodzakelijk is.

Dit is de kern van het nieuwe denken in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Mensen die om huishoudelijke hulp, een hulpmiddel of aanpassing in hun huis vragen, moeten eerst duidelijk maken hoe hun leven eruitziet voordat hun verzoek wordt gehonoreerd. Dit gebeurt tijdens een zogenaamd keukentafel­gesprek met een Wmo-consulent van de gemeente. De gemeente bepaalt hoe hier invulling aan wordt gegeven. Sommige gemeenten doen het telefonisch, anderen komen bij mensen thuis. Dat klinkt als gezelligheid, thee en koekjes, maar is in werkelijkheid een indicatiegesprek waarbij de Wmo-consulent komt kijken of ­iemand echt hulp nodig heeft bij het traplopen, huishoudelijk werk en vervoer, of dat hij zelf iets kan regelen in zijn eigen netwerk.

Het voordeel van zo’n gesprek bij mensen thuis is dat er verder wordt gekeken dan die ene vraag. Soms zijn er meer dingen die mensen nodig hebben om goed en gelukkig te kunnen leven. Ook hoef je als burger niet een eindeloze tocht langs allerlei loketten en ambtenaren af te leggen. Door één gesprek thuis kunnen allerlei dingen tegelijk in gang worden gezet. Regie over je eigen leven en zelf verantwoordelijkheid nemen zijn daarbij kernwoorden. Maar... het is wel zijn nieuwe stijl die óók flinke bezuinigingen moet opleveren.

keukentafelgesprek

Bert Hubêrt (67), Dieren

‘Ik vond het fijn dat ik mijn ei kwijt kon’

De trap naar zijn appartement in Dieren telt 36 treden en geen lift. Knap lastig als je nog geen honderd meter kunt lopen. Bert Hubêrt komt zijn huis amper uit, sinds hij vier jaar geleden van de trap viel en zijn heup en bovenbeen brak. Hij schuifelt met zijn vrouw naar het winkelcentrum omdat hij weet dat er elke honderd meter een punt is waar hij even kan rusten, maar veel verder komt hij niet. Als oud-vakbonds­bestuurder die de hele wereld over reisde, valt zijn ­beperking hem zwaar.

Hij besloot een taxipas aan te vragen en belde naar het zorgloket van de gemeente. De belofte dat er snel contact met hem zou worden opgenomen, werd de volgende dag al ingelost. “Er belde een mevrouw of ik zin had in een keukentafelgesprek”, vertelt hij. “Een komische naam voor een praatje met iemand van de gemeente, maar ik vond het best. Kort daarna stond er een slimme jongedame voor de deur. We hebben een gesprek gehad dat verder ging dan alleen de taxipas. Ik kon echt mijn ei kwijt. Dat vond ik erg fijn. Ze stelde voor dat mijn vrouw en ik op zoek gingen naar een andere woning, iets gelijkvloers en op de begane grond of met een lift. Dat idee hadden we zelf ook al, maar zij gaf ons een duwtje in de goede richting. Sindsdien zijn we actief op zoek.”

De taxipas kwam er, net als een elektrische fiets. Én een vismaatje, waardoor Bert Hubêrt tegenwoordig veel meer buiten komt. “Ik vertelde aan die mevrouw van de gemeente dat ik zo van vissen houd, maar dat het niet meer gaat. Een week later stond ik aan de IJssel met iemand van de visvereniging die zij had benaderd. Dat vond ik klasse.”

Michaëla Merkus (41), Breukelen

‘De vraag of mijn moeder nog een matras vol geld had, was het dieptepunt’

Michaëla Merkus hield een slecht gevoel over aan het keukentafelgesprek, waarin om een traplift voor haar moeder met longkanker werd gevraagd. Haar moeder woonde in Breukelen.

“Ik had me zo goed mogelijk voorbereid door veel over het keukentafelgesprek te lezen, maar er kwamen vragen die ik totaal niet had verwacht”, vertelt Michaëla Merkus. “Er werd wat gekletst en voordat ik het wist, zaten we in dat gesprek. Er werd voorbijgegaan aan dat we zelf al veel hadden gedaan, zoals voorzieningen in huis, een rooster voor de verzorging van mijn moeder door vrijwilligers uit haar eigen netwerk, en de scootmobiel die we hadden aangeschaft. Bij een keukentafelgesprek stel ik me een dialoog voor, maar dat was het niet. Er werd een lijst van moetjes afgewerkt.

Het dieptepunt kwam toen werd gevraagd of mijn moeder zelf geen traplift kon betalen. Toen ze ontkennend antwoordde, volgde de vraag of ze niet nog ergens een matras vol geld had, of een oude sok. Het werd gebracht als een grapje, maar ik vond het erg ongepast.”

De traplift werd toegekend, maar deze was toen Merkus’ moeder vier maanden na het keukentafelgesprek overleed, nog steeds niet geplaatst. “De laatste maanden van haar leven heeft mijn zwager mijn moeder elke avond de trap op getild en ’s morgens weer naar beneden. Hij is een sterke vent, maar ik vond het mensonterend dat op het laatste moment al mijn moeders zelfstandigheid werd afgenomen en dat ze zich moest laten dragen als een kind.”

Michaëla Merkus heeft naderhand nagedacht over hoe het keukentafelgesprek ook anders ingevuld had kunnen worden. “Het moet voor een ambtenaar moeilijk zijn om over verdriet en verlies te praten en tegelijkertijd met een financiële, administratieve beoordelingsbril te kijken. Het lijkt mij een goed idee om voor het gesprek uit te zoeken wat iemand aan eigen middelen heeft, zodat duidelijk is wat de marge is. En stuur bijvoorbeeld een maatschappelijk werker mee. Iemand die weet hoe je een warm gesprek moet voeren.”

Martin Klaasse Bos (60), Almere

‘De eerste keer dat ik die traplift gebruikte, moest ik een potje janken’

Een ‘knopenhakster’ noemde Martin Klaasse Bos de Wmo-consulent met wie hij te maken kreeg. Dat was precies wat hij nodig had na zeven maanden ziekenhuis en drie maanden revalidatiecentrum, nadat een bacterie zijn heup en pols te grazen had genomen. Hij wilde naar huis en wel zo snel mogelijk. Omdat Klaasse Bos door die agressieve streptokok niet meer kon lopen, mocht hij het revalidatiecentrum pas verlaten als er thuis voldoende voorzieningen waren getroffen.

“Ik had me totaal niet op dat keukentafelgesprek voorbereid”, vertelt hij in zijn huis in Almere. “Het interesseerde me geen moer, als ik maar weer onder mijn eigen dak kon slapen. Gelukkig had mijn vrouw beter nagedacht over wat we allemaal nodig hadden. Daar is geen discussie over geweest met de gemeente. Ik ben een grote en zware vent die niet kan lopen, dan weet je dat je spullen ­nodig hebt om vooruit te komen. Dat snapt een kind, dus ook de juffrouw van de gemeente die bij mij thuis kwam voor een keuken­tafelgesprek. Ik heb veel baat gehad bij dat pittige mens. Met mijn postuur paste ik nauwelijks in de ­standaardrolstoel van het revalidatiecentrum. Zij ­regelde een aangepaste voor me en zorgde ook voor een douchestoel, een traplift en platte drempels.

De eerste keer dat ik in die traplift naar boven ging, ben ik halverwege gestopt om een potje te janken. Kijk mij hier nou zitten, dacht ik. Daarom was het zo fijn dat er zo snel en zonder te zeuren spullen werden geregeld. Ik heb al gedoe genoeg in mijn leven. Dat heeft zij goed aangevoeld.”

Fenny Finkers (78), Amersfoort

‘Ook nu wil ik mijn eigen boontjes doppen’

Niet iedereen stelt bemoeienis van de gemeente op prijs. Zoals Fenny Finkers (gefingeerde naam). Zij vroeg na een slecht herstelde gebroken heup een scootmobiel aan en ervoer het als betuttelend dat een Wmo-ambtenaar van de gemeente Amersfoort haar huis wilde ­inspecteren. “Ik snap het niet. Twintig jaar geleden kreeg mijn man zonder problemen een scoot­mobiel en bij mij moesten ze eerst de badkamer zien. De instap is te hoog, zeiden ze. Of ik niet ­beter kon verhuizen. Nou, ik red me prima. Ik woon al veertig jaar in dit huis en wil er echt niet weg.

Er werd ook gevraagd of anderen me konden helpen met de boodschappen. Ik heb geen kinderen en weinig contact met mijn buren. Ze zien me al aankomen als ik ze vraag om voor mij naar de supermarkt te gaan. Ik wil dat ook niet. Ik was vroeger verpleegkundige en heb altijd mijn eigen boontjes gedopt. Nu ik oud ben, wil ik dat blijven doen. ‘Het is wel belangrijk dat u realistisch blijft’, zei die mevrouw van de gemeente. Dat ben ik ook. Als ik een scootmobiel heb, kan ik prima mijn ­eigen boodschappen doen.

Gelukkig heb ik hem gekregen. Het geeft mij een veel beter gevoel om zo veel mogelijk zelf te blijven doen in plaats van anderen steeds om hulp te vragen.”

Voorbereiding

• Een keukentafelgesprek is niets om u zenuwachtig over te maken. Wel is het belangrijk dat u van tevoren goed nadenkt over wat uw vraag is. Bedenk ook vast wat u zelf zou kunnen doen om uw probleem op te lossen of welke mensen uit uw eigen netwerk u hiervoor kunt inschakelen. Wees duidelijk als dit geen optie is.
• Vraag een bekende of een familielid bij het gesprek. Twee mensen horen altijd meer dan één.
• Als u iets niet goed begrijpt, vraag dan of de consulent het nog eens wil uitleggen.


Na afloop

• Vraag om een verslag van het gesprek en de afspraken die zijn gemaakt. Neem contact op met de Wmo-consulent als de gemaakte afspraken volgens u niet goed zijn weergegeven.
• Als u het niet eens bent met de uitkomst van het keukentafelgesprek, kunt u binnen zes weken bezwaar maken. U doet dit bij de gemeente.


Financiën

• Of u een eigen bijdrage moet betalen voor de hulp die u krijgt, bepaalt uw gemeente. Hoe hoog deze is, hangt af van uw inkomen en vermogen. Voor een algemene voorziening, zoals bijvoorbeeld de buurtbus, kan de gemeente een vast bedrag als bijdrage vragen. Uw ­inkomen en vermogen tellen dan niet mee.
• De gemeente moet nagaan of er voor u bijzondere (financiële) omstandigheden zijn. Bijvoorbeeld als u al een eigen bijdrage betaalt voor een andere Wmo-voorziening of voor zorg uit de AWBZ. Uw eigen bijdrage kent een maximum. Het is verstandig om dit zelf ook in de gaten te houden.


En verder

• Met ingang van 2015 worden de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) verder veranderd. Zo gaan alle lichtere vormen van AWBZ-zorg, zoals hulp bij het wassen en aankleden, onder de gemeente vallen of geregeld worden via de zorgverzekering.

Voor het overnemen van de zorg van het rijk krijgen de gemeenten 11,3 miljard euro. Voor de overheid levert dat een besparing van ruim 2 miljard euro op. Gemeenten kunnen die besparing realiseren door efficiënter en zuiniger te werken. Ook ­zullen gemeenten nog scherper gaan beoor­delen wat mensen zelf kunnen doen.

Overigens kunnen mensen die heel veel zorg nodig hebben, blijven rekenen op goede zorg met recht op een plek in een zorginstelling, aldus de rijksoverheid.

Kijk voor een video over de veranderingen in de zorg op www.plusonline.nl/zorg

Bron(nen):
  • Plus Magazine
Trefwoorden:

Reactie toevoegen