Vijf dappere hart-experimenten

In 1958 was een hartinfarct nog erg dodelijk. Een op de drie mensen overleefde het niet. Vandaag de dag is dat nog maar een op de dertig. Hoe is dat gelukt? Dat doet de Amerikaanse cardioloog Sandeep Jauhar uit de doeken in het boek Het hart.

Werner Forssmann – deed hartkatheterisatie bij zichzelf

 

Een dunne flexibele buis inbrengen in een mensenhart? ‘Waanzin’, dacht men tot 1929. Maar chirurg assistent Forssmann trok zich daar niets van aan. Hij leidde een buis via de elleboog, door de onderste holle ader, naar zijn hart. Een röntgenfoto vormde het bewijs. In 1956 kreeg hij samen met twee andere onderzoekers de Nobelprijs voor deze ontdekking. Hartkatheterisatie is nu onmisbaar in de cardiologie. Denk maar aan coronaire angiografie, waarmee de vaten in het hart in beeld wordt gebracht, en dotteren, waarbij een verstopt vat in het hart weer door kan stromen.

 

 

Michel Mirowski en Morton Mower wekken een hond op uit de ‘dood’

 

Een fibrillerend hart weer aan de praat krijgen met een elektrische schok. Dat kon tot 1969 al van buitenaf, maar dat had nadelen. De schok deed pijn, als de patiënt in zeldzame gevallen nog bij bewustzijn was. Verder moesten omstanders de schok toedienen en dat ging wel eens mis. Kun je de defibrillator niet beter inbouwen in het lichaam? Mirowski en Mower vermoedden van wel. Ze brachten in 1969 een implanteerbare defibrillator in bij een hond. Ze brachten zijn hartritme van de wijs, de hond zakt in elkaar, en vervolgens gaven ze een stroomschok, en de hond stond weer te kwispelen. ‘Je leert die hond een trucje’, zeiden sceptici. Maar hetzelfde experiment met een begeleidend hartfilmpje liet zien dat het wel degelijk gelukt was. In 1980 probeerden ze het bij een mens, en sindsdien krijgen vele mensen een defibrillator geimplanteerd.

 

Walton Lillehei gebruikte een levende hartlongmachine 

Voordat de hartlongmachine was uitgevonden, was een openhartoperatie bijna onmogelijk. De bloedsomloop kan nauwelijks onderbroken worden, de patiënt zou snel overlijden. Hoe overbrug je de tijd dat je dus een ingreep doet in het hart? De Amerikaanse Walton Lillehei had daarvoor in 1954 een oplossing: de levende hartlongmachine. Hij had het al bij 200 honden getest en het werkte. Lillehei sloot de bloedsomloop van de patiënt aan op die van een naast familielid met een pomp en slangen. Zo heb je een ‘levende’ hart-longmachine. De chirurg kan vervolgens het zieke hart opereren.

Een briljant plan, maar ook risicovol want uitslag van de operatie kan zijn dat twee mensen overlijden, waaronder het gezonde familielid. Lillehei ging door met deze kruiscirculatie ingrepen tot de echte hartlongmachine werd uitgevonden. Hij behandelde 45 patiënten, van wie er 28 lang in leven zijn gebleven. 

 

George Mines elektrocuteerde zichzelf  

Het hart heeft een ingenieus systeem van elektrische signalen die zorgen voor de hartslag. George Mines heeft een grote rol gespeeld in het onderzoek hiernaar en de diagnostiek van hartritmestoornissen. Hij werd helaas maar 28 jaar. In 1914 werd Mines bewusteloos gevonden in het laboratorium. Hij zat aangesloten aan de hartslagmeetapparatuur, en overleed later in het ziekenhuis. Vermoeden is dat hij zichzelf als proefkonijn had gebruikt. 

 

Greatbatch vond per ongeluk de pacemaker uit 

Wilson Greatbatch was een elektrotechnicus die zat te knutselen aan een circuit. Per ongeluk pakte hij een verkeerde weerstand, waardoor het elektrische signaal steeds kort aan ging en weer uit. ‘Het lijkt wel een hartslag’, dacht Greatbatch, en dat was een hele slimme gedachte.  

Later hoorde hij toevallig twee chirurgen praten. Ze discussieerden over het verschijnsel hartblok, waarbij het hart niet meer zelf klopt. Greatbatch kreeg een ingeving- daar heb ik een oplossing voor. Hij testte het circuit en inderdaad - in 1960 kreeg de eerste mens een pacemaker geïmplanteerd.