Oorlogsbaby's

Honderdduizenden kinderen werden in de Tweede Wereldoorlog geboren, soms onder zware omstandigheden. Zeven oorlogskinderen over de ongewone gebeurtenissen tijdens hun eerste levensjaren.

'Een drieling, dat was wel even schrikken voor mijn ouders'

Antoon Verhoeven (69) uit Westervoort (geboren: 6 september 1943)

“Mijn ouders hadden al zeven kinderen toen ze er een drieling bij kregen: mijn broer, zus en ik. Dat was wel even schrikken. Van de plaatselijke betonfabriek kregen ze lange betonnen palen die als waslijnpalen dienst konden doen. En de burgemeester kwam langs met een potje jam.

In oktober 1944 moest Westervoort evacueren, met paard en wagen. De mooie dure kinder­wagen, die speciaal voor ons was gemaakt, kon niet mee. Maar mijn vader wilde hem niet achterlaten. Dus vertrokken we te voet. De drieling in de kinder­wagen, een broertje en zusje erbij gepropt, en ook nog wat spulletjes gingen mee. Op de dijk buiten Giesbeek, met nog zo’n dertig kilometer te gaan, zakte de kinderwagen door z’n veren. Een deel van de kinderschare is toen meegenomen door passerende Duitse soldaten. Uiteindelijk is het hele gezin, inclusief de gerepareerde kinderwagen, achter Hengelo terechtgekomen.”

 

 

'Als ze eten gingen halen, droegen de Engelse soldaten mij met zich mee'

 

 

Käthie Saris-Spoormakers (72) uit Helmond (geboren: 21 november 1940)

“In september 1944 moesten we ons huis uit, want Helmond zou bevrijd worden. Mijn vader, moeder, twee broertjes en ik gingen naar oom Willem en tante Piet. Als het luchtalarm klonk, moesten we allemaal vlug vlug de diepe kelder in, naast de keuken. Oom Willem zat met zijn hondje onder de trap in de aardappelkist. Ik weet ook nog precies waar ik zat: links tegen ons moeder aan. Na de bevrijding konden we weer naar huis. Later kregen we Engelse soldaten ingekwartierd. Ik herinner me het meest Eric en Stan. Ze droegen mij met zich mee als ze eten gingen halen. Bij thuiskomst zetten ze mij op de tafel. Er vielen dan heel veel blikjes eten onder hun jack uit.”

 

 

'Ik herinner me nog het geruzie met mijn opa over het laatste stukje aardappel'

 

 

Nelly Bosmans-Huisman (71) uit Hellevoetsluis (geboren: 7 juni 1941)

“Mijn moeder lag tijdens haar zwangerschap in scheiding met mijn vader. Ze was in Ede gaan wonen, bij een tante. Daar ben ik geboren. Kort voor de Hongerwinter is ze met mij teruggegaan naar Rotterdam en bij haar ouders ingetrokken. Ik weet mij alles nog te herinneren. Hoe de Duitsers na spertijd door de straat marcheerden. Hoe ik met een kroesje uit het raam hing te bedelen als mijn overgrootmoeder, die naast ons woonde, soep uit de gaarkeuken haalde. De vreselijke honger. Het geruzie met mijn opa over het laatste stukje aardappel in de pan. De verdwaalde bommen die in Rotterdam-West insloegen. En de misselijkmakende, weeë kooklucht van suikerbieten – die geur vergeet ik nooit meer.”

 

 

'Onder in de kinderwagen ging een lading kolen, en daar werden wij bovenop gelegd'

 

 

Pierre Muijtjens (72) uit Spaubeek (geboren: 9 januari 1941)

“Honger hebben wij niet gehad in de oorlog. Omdat mijn vader bij de Staatsmijnen werkte, werden we altijd goed voorzien van kolen. Als we iets nodig hadden, ging er een lading kolen onder in de kinderwagen en werden wij er bovenop gelegd. Zo werd er geruild bij de slager, bakker, timmerman en schoenlapper.

In 1944 werden er Amerikaanse soldaten bij ons ingekwartierd. Tien soldaten op zolder, drie officieren in de woonkamer. Ze kookten in de schuur. Als ze eten gingen opscheppen, stonden mijn broers en ik tussen hen in, met ons bordje in de hand.

De laatste dagen voor de bevrijding zaten we in de kelder onder het klooster tegenover ons huis, samen met andere families uit de buurt. Ik weet nog dat wij kinderen op dekens op de grond sliepen. Mijn net geboren broer Harry lag in de kinderwagen.”

 

 

'Ik heb mijn leven te danken aan mijn oma'

 

 

Rob Speijers (69) uit Wijk bij Duurstede (geboren: 2 augustus 1943)

“Op 22 maart 1945 wandelde mijn oma met mij in de kinderwagen door Nijverdal. Er kwamen formaties Engelse bommenwerpers over maar daar waren ze wel aan gewend. Toen we bijna thuis waren, heeft een van die formaties bommen afgeworpen. Oma rukte mij uit de kinderwagen en schoot in een portiek in de Grotestraat. Vijf minuten later volgde een bombardement waarbij die straat is geraakt. De kinderwagen werd compleet vernield. Oma is met mij in haar armen naar huis gestrompeld, waar mijn moeder, gek van angst, haar opwachtte. Ik heb mijn leven te danken aan mijn oma. Er vielen die dag 73 doden in Nijverdal.”

 

 

'Ik ben in een Duitse schuilkelder geboren, tijdens een bombardement'

 

 

Anna Menning-Paeper (69) uit Amsterdam (geboren: 21 oktober 1943)

“Mijn vader kwam in de oorlog in een Duits werkkamp terecht, in Griesheim. Daar heeft hij mijn moeder ontmoet: Duits, gescheiden, met zes kinderen. Echte liefde, en daar ben ik uit ontstaan. Ik ben in een schuilkelder geboren, tijdens een bombardement. Het was ook nog een stuitligging. Mijn oudste halfbroer moest, toen het even kon, de dokter halen. Hij heeft de hele weg gehold, steeds het voor hem moeilijke woord Steißgeburt herhalend. Gelukkig is het allemaal goed gekomen. Direct na de capitulatie zijn we naar Nederland verhuisd. Mijn vader is altijd een echte papa geweest voor mijn halfbroers en -zusjes.”

 

 

'Die Duitse soldaten wisten maar al te goed dat wij in dat huisje waren ondergedoken'

 

 

Gerrit van Esterik (69) uit Bilthoven (geboren: 30 november 1943)

“In september 1944 moesten we met het hele gezin onderduiken. Mijn vader, moeder, oudere broertje en ik vertrokken naar Waarder, een dorp in Zuid-Holland. Daar hebben we in het huisje van mijn grootouders een deel van de rest van de oorlog doorgebracht. Er zaten ook Duitse soldaten in Waarder. Oudere mannen die tegen hun zin waren opgeroepen. Om de situatie enigszins te schetsen: als baby van nog geen jaar zat ik op schoot bij deze soldaten. En die begrepen volgens mijn ouders maar al te goed dat wij in dat huisje waren ondergedoken.”

Bron(nen):
  • Plus Magazine

Reactie toevoegen