De goddeloze paus

Over geen andere paus waren wildere geruchten in omloop dan over Alexander VI (1431-1503), telg uit het Spaans-Italiaanse geslacht der Borgia’s: orgiën in het Vaticaan, schaamteloze vriendjespolitiek en laaghartige moorden. Wat haast niemand weet: Alexander probeerde ook het pauselijk ambt te hervormen. En hij was een liefhebbende vader.

Al dagen is de toegang tot de pauselijke vertrekken in het ‘Appartamento Borgia’, gesloten. Geen kardinaal, geen vorst wordt binnengelaten, zelfs niet de schaars geklede dames die anders zo vaak achter de fraai beslagen deuren verdwijnen. Nerveuze leden van de curie onderhouden zich op gedempte toon, bedienden gaan fluisterend over de gangen, waar zelfs de vele heiligengestalten op de zware wandtapijten bedremmeld overkomen. Nee, een spookachtiger stilte dan in de junidagen 1497 had het Vaticaan niet gekend. Maar hoe anders gaat het eraan toe voor het St. Pietersplein en aan de overkant van de Tiber! Daar heersen chaos en rumoer. Spaanse soldaten doorkammen de stad, angstige burgers barricaderen hun huizen, de machtigen laten gewapende knechten wachtlopen voor hun stadspaleizen. Rome lijkt op een tyfoon: tomeloze winden in de periferie, in het midden een onwerkelijke stilte. In het oog van de storm: Alexander VI, de even beroemde als beruchte Borgia-paus.

G-Geschiedenis: aanbieding!

Maak nu kennis met G-Geschiedenis en lees verhalen over historische gebeurtenissen. U ontvangt 8 nummers voor slechts €25 en het abonnement stopt automatisch. U ontvangt bovendien de special De Bevrijding cadeau!

Laat zijn naam vallen en een Romein begint over nepotisme, incest, moord en doodslag. Rodrigo Borgia en zijn familie lijken zich aan God noch gebod te storen. Toen hij paus werd, schreef Giovanni de’ Medici: ‘Nu zijn we in de greep van de wolf, misschien wel de wildste die de wereld ooit gezien heeft. En als we niet vluchten, zal hij ons allemaal verslinden.’ Een wolf regeert de Zeven Heuvels van Rome?

Vaderlijke gevoelens

Juni 1497 gedraagt Alexander zich allerminst als wolf. Hij treurt om Juan, de zoon van zijn maîtresse Vanozza Cattanei. Alexander had hem de titel van hertog van Gandia en de rang van legeroverste verschaft. Juan kon zelfs nog geen kwaad bij hem doen toen de strijdmacht van de Orsini´s het pauselijk leger verpletterde. Oogappel Juan, als geen ander lid van de Borgia-clan bedolven onder eretitels, belast met staatsaangelegenheden. Als geen ander ook bezien met nijd. Een nijd die hij niet had kunnen of willen wegnemen en die hem waarschijnlijk fataal is geworden.

Johannes Burckard schrijft over de onrust die zich van Alexander meester maakte toen zijn zoon verdwenen bleek. Toen Juan ook ´s avonds niet terugkeerde, ‘werd de paus door een dodelijke schrik bevangen en liet enkele vertrouwelingen alle mogelijke inlichtingen inwinnen. ‘ De klap kwam zo hard aan, dat Alexander pas na vijf dagen weer menselijk gezelschap veelde. Hoe zou hij nu reageren? Als de sluwe vos die hij altijd geweest was? Gewelddadig, als het dodelijk beledigde familieopperhoofd? Of zou hij de Romeinen opnieuw verrassen?

Met de berekenende kant van Zijne Heiligheid had de stad al bij zijn aantreden kennis gemaakt. Bij het overlijden van Innocentius VIII in 1492 zette iedereen z’n kaarten op Giuliano della Rovere, kampioen van een andere adelsfamilie met een brandende maatschappelijke ambitie. Die kon in het conclaaf immers bouwen op de steun van Florence, Napels en Venetië en ook de Franse koning Karel VIII was hem welgezind (dat laatste was half en half een nadeel, want als veroveraar nam de koning veel Italianen tegen zich in . Wel had hij een machtige tegenstrever: Ascanio Sforza, te jong nog om zelf te kandideren, maar niet om hem in de wielen te rijden. Wat Rodrigo Borgia in de schaal legde, waren vooral geld en vastgoed.

Corruptie hoorde erbij

Over de manier waarop hij die onder de stemgerechtigde kardinalen distribueerde, doen fraaie verhalen de ronde. Een tv-serie laat hem schenkingsoorkonden in gebraden kapoenen de vergadering binnensmokkelen. Vriend en vijand zijn het er evenwel over eens dat Ascanio Sforza in de nacht van 10 op 11 augustus met uitzonderlijke volmachten van Rodrigo Borgia het summum aan omkoping presteerde. En zo kwam op 11 augustus niet de Italiaan Giuliano della Rovere, maar de Spanjaard Rodrigo Borgia (eigenlijk Borja) op de Stoel van Petrus. Hij noemde zich Alexander VI, naar Alexander de Grote.

BorgiaDe eerste jaren van zijn pontificaat probeert hij vooral de eigen macht en die van zijn familie te vestigen. Daarvoor strooit hij met kardinaalstitels en bisdommen alsof het niets is. De Sforza’s worden rijkelijk voor hun steun beloond en alleen de eigen familie is nog beter af. Zoon Juan wordt tot een wereldlijk heer gemaakt, een aanvankelijk tegenstribbelende Cesare tot kardinaal. Zelfs de kinderen van diverse maîtresses, die hij openlijk erkent en brutaalweg als heiligen laat portretteren, komen niet tekort. Aan zulk nageslacht was men inmiddels wel gewend, maar wat men hem kwalijk neemt en wat zijn ambt zeer schaadt, is dat hij hen in alle openheid bevoordeelt.

Met die schaamteloosheid ging het kennelijk van kwaad tot erger, te oordelen naar verhalen als het volgende, door Burckard opgetekend over een uitspatting die in oktober 1501 plaatsvond in Cesares vertrekken in het Vaticaan. Vader, zoon en dochter Lucrezia zien daarbij toe hoe een vijftigtal naakte courtisanes rondkruipt om kastanjes te verzamelen die even daarvoor over de vloer uitgestrooid zijn. Dit soort verhalen over excessen leidt gemakkelijk af van een andere waarheid: dat Alexander bovenal een gewiekst politicus was en een meester in tactisch handelen.

Hij paarde doorzettingsvermogen aan overtuigingskracht en sluwheid. Daarmee lukte het hem bijvoorbeeld Karel VIII, nadat deze Rome ingenomen had, net zo lang aan het lijntje te houden, tot hij een Heilige Alliantie tegen de Fransman gesmeed had. Alexander was er een meester in een gesprekspartner plotseling in de verdediging te dwingen en wist hij elke discussie naar zich toe te trekken. Maakte iemand hem verwijten, dan pareerde hij dat met andere verwijten – of bracht een boosaardig gerucht in omloop.

De kas op orde, het leger in de pas

Hoe ons oordeel over Alexander VI ook uitvalt – gemeten aan de standaard van zijn tijd was hij niet uniek, zelfs niet voor een man die het hoogste geestelijke ambt bekleedde. Er gingen wel meer pausen over de schreef. Alleen weet men aan die anderen nog wel iets positiefs te ontdekken. Julius II, de toch nog succesvolle Giuliano della Rovere, dankte zijn uitverkiezing aan simonie, maar zette daar vervolgens wel zware straffen op. Paulus III was een broer van Alexanders maîtresse Giulia Farnese, maar probeerde ook kerkelijke hervormingen door te voeren. Over Alexander vallen dergelijke geluiden zelden te beluisteren. Niemand wijst erop dat hij in zijn kringen geen jodenvervolging duldde, of dat hij vluchtelingen onderdak bood. Verder probeerde hij het geweld tegen missieposten in te dammen en de status van missiegebieden te reguleren. Ten slotte profiteerde de curie van zijn organisatietalent en kreeg een veel doelmatiger en consequenter werkwijze.

De impact van een moord

Tekenend is wat dat betreft Alexanders reactie in de junidagen van 1497. Als hij na een tergend lange afzondering zijn vertrekken weer verlaat, lijkt hij volkomen veranderd – door goddelijk ingrijpen uit zijn baan geslingerd als eertijds de apostel Paulus op weg naar Damascus. De 19de van die maand roept hij een consistorium bijeen, een voltallige vergadering van kardinalen, waar hij openlijk om zijn zoon treurt. Hij ziet in de moord de gerechte straf van God en is daarom voornemens af treden, om plaats te maken voor een deugdzamer – ja, zelfs democratisch – kerkvorst. Op de daarvoor nodige hervormingen dient een zeskoppige commissie te studeren.

Zo zouden titels, beloningen en schenkingen alleen nog op basis van verdiensten mogelijk moeten zijn – weg met nepotisme en simonie! Al deze enormiteiten spreekt Alexander met bevende stem uit. Maar hoe zwak de woorden hem ook over de lippen komen – ze treffen zijn gehoor als mokerslagen. Een deugdzame kerk? Veel kardinalen zien daarin niet een begin, maar een einde: het einde van het luxeleventje voor zichzelf en voor de hunnen. Zelfs een salarisgrens wil Alexander invoeren, een soort Vaticaanse Balkenendenorm, en denkt daarbij aan een lachertje van 6.000 dukaten – per jaar! Al even onbekookt is de gedachte elke kerkelijke waardigheidbekleder over niet meer dan één bisdom te laten beschikken, waarvan die dan ook nog zou moeten leven…

De dagen na de 19de juni stelt de curie dan ook alles in het werk om de plannen in de kiem te smoren. De aangekondigde commissie komt er, maar met voldoende voorstanders van de status quo erin. Alexander zelf wil haarfijn weten wat de zes bespreken om niet voor onaangename verrassingen te komen te staan. Was het hem dan niet menens met de kerkhervorming? Hoe dan ook zijn de voorstellen waar de commissie uiteindelijk mee komt een storm in een glas water. De conceptteksten voor een nieuwe bul waar enkele kardinalen zich het vuur voor uit de sloffen gelopen hebben, blijven precies dat: concepten....

Bron: G-Geschiedenis