De Keltische druïden

Terwijl wij druïden nu vooral zien als wijzen met een grote kennis van de natuur (er zijn nog altijd tal van druïden onder ons die 'back to basic' willen), wordt die positieve insteek tegengesproken door het beeld dat geschiedschrijvers uit de Oudheid van hen ophingen: druïden zouden in de eerste plaats bloeddorstige wilden zijn. Terwijl de druïde waarmee wij ons vroeger vermaakten - zoals Panoramix - de goedmoedigheid zelve was. Hoe zit het echt?

‘Daar stond een groepje bomen dat al eeuwenlang niet geschonden was. De lucht kon niet weg onder hun verstrengelde takken en de zonnestralen raakten niet tot bij die ruimte, zodat het daar koud en donker was.’ Lucanus’ beschrijving van een Keltisch heiligdom in de buurt van Marseille begint als een sprookje waarin je ondanks de somberheid druïden in witte gewaden ziet, en vrouwen met bloemenkronen die zingend hun offergaven neerleggen voor het beeld van een god. Maar dan volgt: ‘Op de altaren lagen vreselijke offergaven opgestapeld en elke boom was besprenkeld met mensenbloed.’ Met dit schrikwekkende beeld van de godsdienst van de druïden staat Lucanus niet alleen.

Zo verheelt de Griekse historiograaf Diodoros zijn afschuw niet wanneer hij het heeft over de gruwelijke wijze waarop de Kelten hun misdadigers en krijgsgevangenen behandelen: ‘Wilden als ze zijn, gaan ze ook bij het brengen van offers buitengewoon goddeloos te werk. Hun misdadigers zetten ze vijf jaar gevangen om ze vervolgens ter ere van de goden aan een paal te spietsen en ze samen met vele andere eerstelingen aan te bieden, iets waarvoor ze reusachtige brandstapels bouwen. Ook hun krijgsgevangenen gebruiken ze als slachtoffers ter ere van de goden.’

Kannibalisme

De Kelten spietsten dus niet alleen hun slachtoffers, ze verbrandden ze ook ter ere van hun goden. Volgens Diodoros waren deze rituele verbrandingen verbonden met het uitspreken van profetieën en vaak zelfs met kannibalisme. Ook Julius Caesar spreekt in het zesde boek van ‘De Gallische Oorlog’ over ‘reusachtige godenbeelden waarvan ze de ledematen van tenen vlechtwerk vullen met levende mensen en die ze vervolgens aansteken’. ‘Zij denken namelijk dat ze de goden alleen maar kunnen bevredigen als ze voor een mensenleven een ander in de plaats geven.’

Romeinse oorlogspropaganda en bangmakerij? Vooral bij Caesar ligt dat vermoeden voor de hand: hoe gruwelijker het beeld dat hij van zijn vijand ophing, hoe duisterder met andere woorden de achtergrond, des te helderder tekende zijn overwinning zich af. De archeologische feiten lijken het gruwzame Keltenbeeld van de antieke schrijvers te bevestigen. Op de 27.000 vierkante meter van de cultusplaats uit de 3de eeuw v.Chr. die werd blootgelegd in Ribemont-sur-Ancre in het Franse departement Somme, vond men de zorgvuldig op elkaar gestapelde geraamten van een duizendtal vijftien- tot twintigjarige jongemannen. Hun hoofden ontbraken. Wellicht had men ze tentoongesteld aan de ingangspoort of op een reeks lansen.

Massagraf

In met afval gevulde kuilen die over de hele Keltische nederzetting in Manching (Beieren) verspreid waren, vonden archeologen meer dan 5.000 stukgeslagen mensenbeenderen. Waarschijnlijk hadden de bewoners deze doden eerst laten vergaan om ze vervolgens in stukken op verschillende plaatsen te begraven. De geleerden hebben de betekenis van deze complexe begrafenisrituelen nog niet kunnen achterhalen, maar het hoeft niet noodzakelijk om mensenoffers te gaan: deze vorm van teraardebestelling kan ook op een belangrijke en ingewikkelde doden- en voorouderverering wijzen. In elk geval werden bij de opgravingen in Manching ook 56 schedels gevonden. Dat wijst op koppensnellen, een gebruik waarvoor we nog vele andere archeologische bewijzen hebben.

In het heiligdom in het Gallische dorp in Acy-Romance (in het Franse departement Ardennes) vonden archeologen concrete aanwijzingen voor mensenoffers. Negentien jonge mannen waren in kleine kisten geperst en neergelaten in een put. Na enige tijd had men de kisten weer opgehaald, de ineengekrompen lijken gedroogd en ze vervolgens naakt en zonder grafgiften in een kuil geworpen. Een andere man, wiens geraamte naast een woningmuur lag, was door een slag met een bijl om het leven gekomen. De archeologen vonden op de reguliere begraafplaats ook mannenlijken met onder meer een bronzen bijl als grafgift. De snede van de bijl paste perfect in de hoofdwond van het slachtoffer. We weten niet welke Keltische goden mensenoffers eisten. Over de motieven schrijft Caesar: ‘Religieuze praktijken zijn in het hele Gallische volk erg belangrijk. Daarom offeren mensen die zwaar ziek zijn of in oorlogs- of ander gevaar verkeren, andere mensen of beloven zij zulks te doen.’
 

Oorlogsbuit

In de keizertijd mogen de Romeinen deze offers dan al categorisch veroordeeld hebben, voordien handelden zijzelf vaak niet anders. Zo bevalen Romeinse priesters – uitgerekend om een dreigende Keltische inval af te wenden – in 220 v.Chr. een Gallische en een Griekse man en vrouw levend te begraven op de veemarkt in Rome. In 97 v.Chr. werden mensenoffers in Rome bij wet verboden, maar als de nood hoog was, werden ze ook in de keizertijd nog gebracht. En de Romeinen kenden wel meer manieren en redenen om mensen te offeren: in hun amfitheaters stierven krijgsgevangenen, misdadigers, gladiatoren en christenen.

Niet elke Keltische offerdaad ging gepaard met mensenoffers. De cultusplaats in Gournay-sur-Aronde, vijftig kilometer ten zuidwesten van Ribemont-sur-Ancre en nu een van de bekendste heiligdommen, was aanvankelijk slechts een eenvoudige kuil, maar werd uitgebouwd tot een centraal heiligdom met een houten tempel, hoge palissaden en een monumentale, met mensenschedels versierde toegangspoort. Aan de voet van de palissaden werden meer dan 2.000 wapens gevonden. Deze zwaarden, lansen en schilden waren waarschijnlijk oorlogsbuit die onbruikbaar gemaakt en vervolgens aan de goden opgedragen was. In het midden van het heiligdom lag een offerkuil waarin men runderen, schapen en varkens wierp om ze er te laten rotten en daarna hun beenderen te deponeren in een graf achter de palissade. Vermoedelijk werd een deel van het vlees genuttigd tijdens een gemeenschapsmaal.

Bron: G-Geschiedenis