Het Kruis verslaat de Halve Maan

Aan het begin van het tweede millennium omvatte het kalifaat van Córdoba ruim driekwart van het Iberische Schiereiland. Nadat het onder Al-Mansoer zijn grootste omvang had bereikt, zette na diens dood het verval meteen in. Regionale warlords eigenden zich de zeggenschap over een deel van het kalifaat toe, dat in 1031 officieel ophield te bestaan. De strijd tussen christendom en islam laaide op.

In plaats van het kalifaat ontstonden 27 onafhankelijke koninkrijkjes (taifas). De drie grootste islamitische koninkrijkjes – Badajoz, Toledo en Zaragoza – grensden aan de christelijke koninkrijkjes die in het noorden van het schiereiland stand hadden weten te houden. In de 11de eeuw was het op het Iberische Schiereiland bijzonder onrustig. In steeds wisselende samenstellingen leek het wel of iedereen tegen iedereen vocht: de christelijke koninkrijkjes probeerden ten koste van elkaar hun territorium uit te breiden, de islamitische taifas gunden elkaar het licht in de ogen niet en voerden de ene na de andere plundertocht uit en daarnaast waren er voortdurend oorlogen tussen de christelijke en islamitische koninkrijkjes. In het begin speelden bij het sluiten van bondgenootschappen religieuze scheidslijnen nauwelijks een rol: de oorlogen draaiden om geld, goud en grond, niet om geloof. Dat zou omstreeks 1085 veranderen. In dat jaar stuurde koning Alfonso VI van Castilië zijn leger eropuit om de stad Toledo in te nemen.

Gratis special bij abonnement

Maak nu voordelig kennis met G-Geschiedenis en lees interessante verhalen over historische gebeurtenissen. U ontvangt 8 nummers voor slechts €25, het abonnement stopt automatisch en u ontvangt bovendien de special Santiago de Compostela t.w.v. €7,50 cadeau.

Deze in het hart van het Iberische Schiereiland gelegen stad was ten tijde van de Visigoten de christelijke hoofdstad. Na de Arabische veroveringsoorlogen ontwikkelde Toledo zich vanaf de 8ste eeuw tot een centrum van islamitische kunst en cultuur. Overal stonden moskeeën en Arabische scholen. De stad kende vanouds een sterke mozarabische gemeenschap (christenen die te midden van de moslims leefden). Na een slepend intern conflict was het de mozarabische factie die in 1085 Alfonso VI te hulp riep. Deze liet zich dat geen twee keer vragen en hij trok de stad binnen. Maar hij deed het elegant: zelfbestuur voor de christelijke en islamitische gemeenschappen en een overgangsperiode waarin beide geloven hun eigen ritus mochten behouden. Alfonso VI riep zichzelf uit tot ‘Keizer der twee Religies.’

‘Bekeer u tot de islam of vecht’

Maar deze actie van koning Alfonso lokte een onverwachte reactie uit. De emirs van de kleinere taifas in Al-Andalus waren doodsbang dat zij de volgende slachtoffers van de christelijke legers zouden worden. Zij lieten hun geschillen voor wat ze waren en deden een beroep op hun geloofsgenoten aan de overzijde van de straat van Gibraltar. Hier heerste een nieuwe fundamentalistische sekte van puriteinse Berbers: de Almoraviden. Die waren blij dat ze konden komen want ze walgden van de decadentie van de emirs van Al-Andalus: in hun weelderige paleizen werd zelfs wijn geschonken! In 1086 stelden de Almoraviden een leger van 15.000 man samen, waaronder Senegalese cavaleristen op witte paarden. Ze vertrokken vanaf de Noord-Afrikaanse kust op vlotten die speciale boten sleepten waarop ze olifanten en paarden vervoerden. Hun legeraanvoerder, Yusuf ibn Tashfin, legde zijn rivalen een drieledige keuze voor: ‘bekeer u tot de islam, betaal ons belastingen of vecht’. Tijdens zijn opmars naar het noorden groeide zijn leger nog verder aan. Bij Sagrajas maakten de legers van Alfonso VI en Yusuf ibn Tashfin zich op voor de strijd. De Castiliaanse koning was nog bedwelmd door het succes van Toledo en trok met een veel te klein leger ten strijde. Het christelijke leger werd verpletterend verslagen: het slagveld was zo doordrenkt met het bloed van de christenen dat de Almoraviden het az-Zallaqah noemden: Glad Veld.

Verstikkende wurggreep

In de Arabische geschiedschrijving staat dit militaire conflict dan ook bekend als de Slag bij Zallaqah. De volgende dag reden de Berbersoldaten triomfantelijk met karren vol hoofden van christenen door de steden van Al-Andalus om te pronken en om de overwinning van de Almoraviden aan te kondigen. Deze nederlaag was een flinke streep door de rekening van koning Alfonso VI: zijn droom van een volledige Reconquista leek ten einde. Ook voor de emirs van de talrijke taifas in het zuiden van Spanje betekende de komst van de Almoraviden het einde van hun heerschappij. De een na de ander werd afgezet en verbannen. Maar de Amoraviden hielden Al-Andalus niet lang in een verstikkende wurggreep. Kort na hun succesvolle verovering en pacificatie van het zuidelijk deel van het Iberische Schiereiland slokte het thuisland al hun aandacht op. In de hoofdstad Marrakesh brak een strijd om de opvolging uit die onder andere tot gevolg had dat in Spanje een patstelling tussen christenen en moslims ontstond.

Naast strijd óók tolerantie

Het is overigens een misvatting te denken dat tijdens de Reconquista er voortdurend sprake was strijd, rivaliteit en kommer en kwel. ‘Wie bij al deze verhalen over de strijd tussen Moren en christenen denkt aan haat, heeft het’, aldus schrijver Cees Nooteboom, dé kenner van de Spaanse cultuur, ‘toch niet goed begrepen. Natuurlijk waren er belangen, en natuurlijk was de grote, historische beweging, achteraf gezien, gericht op de verdrijving van de islam uit Spanje, ook al bestond dat toen nog niet als eenheid. Maar het proces duurde zeven eeuwen, en in die oneindig lange tijd had er zoveel vermenging, zoveel wederzijdse beïnvloeding plaatsgevonden, dat de twee partijen in zekere zin ook elkaar geworden waren. Ze hadden onder elkaar geleden, maar ook bondgenootschappen gevormd. Bekeringen, tolerantie, gemengde huwelijken, tolkenscholen, vriendschappen, intellectuele uitwisseling, verzoening, en dat over een zo lange periode van tijd maakten van Spanje een land dat met geen enkel ander Europees land te vergelijken was – en is.’

In het algemeen was ook in het midden van de 13de eeuw de verstandhouding tussen christenen en moslims nog opperbest. Een voorbeeld daarvan is de keur die koning Jaime I van Aragón aan de mudejars (moslims onder christelijk bestuur) in de omgeving van Valencia verleende. In dit handvest werd zwart-op-wit vastgelegd dat ‘alle moslims verder zouden leven onder hun sunna (wet), zij hun kinderen in de Koran kunnen laten onderwijzen zonder daar enig nadeel van te ondervinden, zij zich overal in ons koninkrijk vrij kunnen bewegen en niet door wie dan ook daarbij gehinderd worden en dat zij hun eigen gerechtsdienaren kunnen benoemen’. Hun bezittingen worden gegarandeerd en ook de hoogte van de belastingen wordt aan een maximum gebonden: ‘een achtste van de opbrengst van hun productie moeten ze aan de kroon afdragen en ze kunnen niet tot meer gedwongen worden; van deze belasting zijn verse groenten en fruit aan de bomen uitgezonderd’.

Religieuze radicalisering

Omstreeks het midden van de 12de eeuw werden de Almoraviden overrompeld door een zo mogelijk nog strenger ruitervolk dat vanuit het oosten het Atlasgebergte overstak: de Almohaden. In 1147 stak de nieuwe kalief de zee over voor de verovering van wat hij ‘de kamelenbult van Al-Andalus’ noemde: ‘het sappigste deel’. De hoofdstad van de Almohaden werd Sevilla. Ze kondigden het begin van een nieuwe orde aan. Ze waren intolerant en begingen opzienbarende wandaden, met een voorliefde voor flagrante gruweldaden. Joden en christenen werden levend verbrand in synagogen en kerken. Ze heersten vanuit versterkte torens, zoals de in hun opdracht gebouwde Torre del Oro in Sevilla. Maar hun geloofsijver deed niet onder voor hun machtswellust. De Almohaden bouwden bij een van de moskeeën een minaret die tot de dag van vandaag het aanzien van Sevilla mede bepaalt: la Giralda. Ondanks deze bouwkoorts hield het kalifaat van de Almohaden niet lang stand. Ook hier eisten interne conflicten hun tol.

‘Jihad’ versus ‘kruistocht’

Tegen 1200 waren de christenen klaar voor het volgende tegenoffensief tegen de islamitische agressor, in een periode waarin het pausdom in Rome op het toppunt van zijn macht stond. Paus Innocentius III grossierde in oproepen om een kruistocht te ondernemen. Niet alleen naar het Heilige Land – aan de onder zijn pontificaat uitgevoerde Vierde Kruistocht, die eindigde met de plundering van Constantinopel – maar ook de kruistocht tegen de Katharen was een gevolg van deze oproep. Innocentius III riep ook de christelijke Spaanse koningen op om de onderlinge strijd te staken en eensgezind ten strijde te trekken tegen de Almohaden. En zo stonden ineens legers tegenover elkaar waarbij de drijfveer niet land, geld of macht was, maar waarbij de religieuze bezieling doorslaggevend was: de ‘jihad’ versus de ‘kruistocht’. Het beschermen van de christelijke hartlanden tegen islamitische agressie en geweld.

De verenigde christelijke legers van Portugal, Castilië, Navarra en Aragon brachten op 16 juli 1212 het leger van kalief Mohammed an-Nasir bij Navas de Tolosa zo’n overtuigende nederlaag toe dat de macht van de Almohaden gebroken was. In de daaropvolgende decennia werd het ene islamitische bolwerk na het andere veroverd. Sevilla werd in 1248 door de koning van Castilië ingenomen. Hij vierde deze triomf met een veelzeggende symbolische actie: hij liet christelijke klokken plaatsen in de minaret van La Giralda. In diezelfde periode werd de Mezquita in Córdoba (dat in 1236 in christelijke handen was gevallen) van een moskee omgetoverd tot kathedraal. Zo kreeg Spanje steeds meer een christelijke aanblik én klonk het christelijke geluid steeds sterker. Omstreeks 1250 stond nog slechts één islamitisch rijk overeind: het emiraat van Granada. De emir van Granada waande zich in het tot schier onneembare vesting omgebouwde Alhambra veilig. Mede omdat hij bereid was jaarlijks flinke sommen geld aan de Castiliaanse heersers te betalen, werd dit laatste islamitische steunpunt op het Iberisch Schiereiland nog tweeëneenhalve eeuw gedoogd. Aan deze ‘vreedzame co-existentie’ zou in 1492 definitief een einde komen, en daarmee werd het Iberische schiereiland definitief heroverd op de islamitische veroveraars en kolonisten.