‘Vaatschade is goed te beperken’

Internist-ouderengeneeskunde Majon Muller

Trager denken, langzamer lopen en steeds minder initiatief nemen. Volgens Majon Muller, hoogleraar cardiovasculaire veroudering, kan het komen door vaatschade.

Wat is dat precies, vaatschade?

“Met vaatschade bedoel ik schade aan de kleinere bloedvaten in de hersenen. Bijna iedereen weet dat je, als je ouder wordt, goed moet letten op je bloeddruk. Een te hoge bloeddruk kan immers leiden tot hart- en vaatziekten. Minder bekend is dat een hoge bloeddruk of schade aan het hart ook andere risico’s met zich meebrengt, in andere delen van het lichaam. De kwetsbaarste organen zijn de hersenen en de nieren.”

Hoe werkt dat? Wat kan vaatschade in de hersenen aanrichten?

“De hersenen bestaan voor een deel uit grijze stof – dat zijn de zenuwcellen – en voor een deel uit witte stof; dat zijn lange uitlopers die zenuwcellen met elkaar verbinden. Verder zitten er miljoenen bloedvaatjes in de hersenen. Deze zijn heel erg belangrijk. Wat we zien is dat schade aan de kleine bloedvaatjes vooral invloed heeft op de witte stof, op die verbindingen dus. De verbindingen tussen zenuwcellen worden minder efficiënt. Een collega van me omschreef het eens zo: een vierbaanssnelweg wordt geleidelijk aan gereduceerd tot een landweggetje.”

Maar hoe klein ook, er is dus nog wel een weg?

“Jazeker. De verbinding functioneert vaak nog wel. Maar je kunt je vast wel voorstellen dat alles niet meer gaat zoals het hoort. Op een landweg rijdt het verkeer niet zo snel meer door als op een grote snelweg. Zo gaat ook het verkeer in de hersenen een stuk langzamer. Dan doel ik met name op het denkproces. Het denken gaat trager en daardoor handel je ook trager. Soms heeft die schade ook een direct effect op het geheugen. Dan duurt het iets langer voordat je ergens op kunt komen. Dat betekent dus niet dat de inhoud weg is, zoals bijvoorbeeld bij ernstige vormen van de ziekte van Alzheimer.”

Aan welke signalen zouden mensen kunnen herkennen dat er iets mis is?

“In de praktijk verschilt dit per persoon. Soms is er sprake van een acuut moment, in andere gevallen verloopt het proces heel geleidelijk. In dat laatste geval heeft de omgeving het vaak sneller door dan jijzelf. Het is te merken aan kleine dingen, zoals je gedrag. Je wordt niet alleen trager in het denken; je loopt ook langzamer of schuifelend, waardoor je een groter risico loopt om te vallen of te struikelen. Daarnaast toon je minder initiatief, heb je moeite met plannen en verlies je het overzicht.”

Maar hoort dit niet gewoon bij de leeftijd?

“Dat wordt vaak gedacht, ja. Juist daardoor wordt het vaak niet of pas laat onderkend. Maar dan zijn de tekenen al heftiger. In een later ­stadium krijg je bijvoorbeeld meer moeite met de afstandsbediening van de televisie. Je vergeet steeds meer dingen, kent de weg niet meer of het wordt gevaarlijk om bij je in de auto te stappen.”

En diegene zelf, realiseert die zich dat dan ook?

“Niet altijd. Vaak vinden we het heel logisch dat we iets langzamer worden. Dat hoort immers bij de ouderdom, denken we. Of we denken: het zal wel niks zijn, we gaan gewoon door. Misschien is het ook nog wel een van de weinige taboes in onze maatschappij. In tegenstelling tot een gebroken been of een hartaanval is dit toch iets waar mensen zich voor schamen. Het komt dichter bij onze identiteit, bij wie we zijn. We zijn bang dat andere mensen zullen denken dat we minder slim zijn, of gek, of dat we niet meer zijn wie we altijd waren.”

Maar ons gedrag, dat verandert soms toch wel degelijk?

“Wat ik in de praktijk regelmatig zie is dat die vertraging, waar ik eerder over sprak, ook doorwerkt in de stemming. Iemand komt zijn huis of zelfs zijn stoel niet meer uit. Hij of zij heeft geen drang meer om iets te doen. Dit noemen we ook wel apathie. Veel naasten, vrienden of familieleden krijgen het idee dat diegene depressief is en niet meer wil leven. Ik wil benadrukken dat dit meestal niet klopt. Apathie en depressiviteit zijn niet hetzelfde.”

Wat is dan het verschil tussen die twee?

“Apathie is een van de symptomen van een depressie. Vaak komen die twee samen voor, maar bij mensen met vaatschade in de hersenen is dat doorgaans niet het geval. Ze zijn niet noodzakelijkerwijs ook somber. Integendeel, als je hun zou vragen wat ze van het leven vinden, dan zijn ze vaak heel tevreden. Ze genieten nog gewoon van kleine dingen en hebben het nog best naar hun zin. Het enige is dat ze zelf nauwelijks nog plannen maken. Ook dat is ­trouwens een teken waar vaatschade aan te herkennen is. Als iemand vroeger altijd allerlei plannen had om dingen te ondernemen en opeens niet meer, dan zou dat op vaatschade kunnen wijzen.”

Als je deze tekenen herkent, wat kun je dan doen?

“Helaas bestaat er op dit moment nog geen medische behandeling die het proces van vaatschade om kan keren. De huidige behandeling is er vooral op gericht om verdere vaatschade te voorkomen of in elk geval zoveel mogelijk te beperken. Dat kan door het omlaag brengen van de bloeddruk en het op conditie brengen van het hart, bijvoorbeeld via bloedverdunners of medicatie. Vergeet ook niet dat vaatschade doorgaans een onderliggende oorzaak heeft. Tekenen als langzamer lopen en apathie zouden kunnen wijzen op schade aan het hart. Als dit probleem nog niet vastgesteld was, loont het om naar de huisarts of de cardioloog te gaan.”

Wat kunnen naasten of ­mantelzorgers doen?

“Blijven bewegen is belangrijk voor een mens. Maar voor deze groep moet de omgeving dan wel eerst ­zorgen voor de prikkelende factor. Probeer zoveel mogelijk dingen ­samen te doen en het liefst op een vast moment van de dag. Structuur in de dagen is essentieel. Dat kan gaan om kleine dingen, zoals samen ontbijten of koken. Of maak samen een wandeling. Zeg dan gewoon: kom, we gaan. Even bewegen is goed voor het hart en wat goed is voor het hart is dat ook voor de hersenen.”

U sprak net over een vast moment op de dag. Waarom zijn vaste tijden zo belangrijk?

“In de praktijk helpt het als mensen met vaatschade een zekere structuur in hun leven hebben, liefst ook in de eigen, vertrouwde omgeving. Voor wie het moeilijk vindt om zelf plannen te maken, zorgt dat ervoor dat je toch dingen blijft doen. Bovendien biedt die structuur houvast. Anders raak je het overzicht kwijt. Dan kan er chaos in het hoofd ontstaan en dat kan weer tot onrust, angst of stress leiden. Of zelfs tot paniek.”

U bent klinisch geriater. Wat trekt u zo aan in de ouderengeneeskunde?

“Die passie heb ik van jongs af aan meegekregen. Mijn vader en moeder hebben altijd vrijwilligerswerk voor ouderen gedaan. Ook had ik een goede band met mijn oma. Zij is op haar 96ste aan een herseninfarct overleden. Onbewust heeft dit vast meegespeeld bij mijn keuze om al vroeg in mijn opleiding de kant van de ouderengeneeskunde te kiezen.”

Majon Muller (48) studeerde gezondheidswetenschappen en geneeskunde aan het Radboudumc in Nijmegen. Ze promoveerde aan de Universiteit Utrecht en rondde tevens de opleidingen af tot klinisch geriater en internist. Sinds 2018 is zij hoogleraar cardiovasculaire veroudering in het Amsterdam UMC. Daar is zij de ­initiatiefnemer van de onlangs opgestarte Hart-breinkliniek.

Dit artikel verscheen eerder in Plus Magazine november 2021. Abonnee worden van het blad? Dat doet u in een handomdraai!

Bron(nen):