De bleekneusjes van 1945

Zo’n 30.000 Nederlandse kinderen die ondervoed de hongerwinter uitkwamen, werden na de Tweede Wereldoorlog naar het buitenland gebracht om aan te sterken bij gastgezinnen. Ze kregen er goed te eten, werden verwend met kleren en cadeautjes en soms ontstonden er levenslange vriendschappen.

Rien de Wit (84) vertrok op zijn 8ste met zijn zus naar Engeland, waar ze ieder naar een ander gastgezin gingen. Nog nooit had Rien zoveel aandacht gehad als van zijn pleegouders.

'Ik was een heel mager mannetje­ met verschrikkelijk veel honger.­ Thuis waren we met vijf kinderen,­ we kenden diepe armoede.­ Omdat we ondervoed waren, werden mijn zus en ik na de oorlog met een legerwagen weg­gebracht naar Rotterdam. Heel spannend vonden we dat; de hele reis hielden we elkaars hand vast. Mijn zus Riet ging naar een gast­gezin in Brigthton en ik kwam bij een ander gastgezin terecht, een pasgetrouwd stel. We verstonden elkaar niet, maar een kind leert gauw. Midge, mijn pleegmoeder, wees van alles aan en vertelde dan het Engelse woord erbij. Met veel geduld leerde zij mij zo de taal.

De hele dag door had ze aandacht voor mij. Ik kreeg een ­tekenboek met kleurpotloden en een hijskraan gemaakt van hout. Zulke dingen hadden wij thuis ­helemaal niet. Mijn pleegouders waren heel ­harte­lijk en warm. Twee maanden ben ik bij hen geweest. Ik genoot zo dat ik geen moment heimwee had naar thuis. Op de terugreis heb ik heel erg gehuild en toen ik thuiskwam, sprak ik geen woord Nederlands meer. Er is een band voor het leven ontstaan. Vlak voor mijn 13de verjaardag hebben ze mijn overtocht naar Engeland betaald om mijn zomervakantie bij hen door te brengen. Ik was als een grote broer voor hun twee jonge kinderen die inmiddels geboren waren en vaak gingen we met z’n allen naar zee. Dit gezin heeft mij als hun oudste zoon beschouwd en mij onvoorwaardelijk liefgehad. We zijn altijd met elkaar blijven schrijven, bellen en later e-mailen.

Toen mijn pleegouders overleden, was het alsof ik een vader en moeder was kwijt­geraakt. Ik zal hen altijd dankbaar blijven voor de goede start die ze mijn leven hebben gegeven.”

Cory van Os-Saathoff (85) had als 8-jarig meisje tuberculose en lag al jaren op bed toen ze na de oorlog een paar maanden naar een gastgezin in Zwitserland mocht.

''Als jong meisje lag ik tweeënhalf jaar in bed op het balkon. Ook in de winter. Ik had tuberculose en moest veel in de buitenlucht zijn. Wat was ik ­eenzaam! Niet meer naar school, niet meer met vriendinnetjes ­spelen op straat. En in al die jaren werd ik maar niet beter. Daarom zat de dokter erachteraan dat ik met het Rode Kruis werd uitgezonden naar een pleeggezin in Zwitserland. Voor mijn ouders was dat heftig. Maar ik was juist heel nieuwsgierig. Toen mijn pleegmoeder mij en nog een ander meisje ophaalde van het station, dacht ze eventjes dat we jongens waren omdat ons hoofd helemaal was kaalgeschoren tegen de luizen. Hoe het kan is me nog steeds een raadsel, maar mijn pleegouders hadden niet te horen gekregen dat ik ziek was. Daarom mocht ik gewoon buiten­spelen met het andere meisje. Ik hield wijselijk mijn mond. We aten allebei als uitgehongerde wolven en vermaakten ons overdag als twee schooiertjes in het dorp, waar altijd wel iemand was die ons een snoepje gaf.

De pleegouders waren schatten. Ik kreeg vaak een aai over mijn hoofd en ze lieten ons doen wat we wilden, als we maar op tijd terug waren voor het eten. Omdat ik ­nauwelijks kleding bij me had, kwam ik na vijf maanden met een koffer vol kleding, die ik van hen gekregen­ had, weer thuis. Ik dacht dat ik thuis weer in bed moest ­liggen maar wat bleek: de tuber­culose was helemaal weg!

Mijn tijd in Zwitserland is echt mijn redding geweest; anders was ik nooit genezen. Nog één keer ben ik naar mijn pleegouders terug­gegaan toen ik al getrouwd was. Het was een erg mooi weerzien. Het is een stukje van mijn leven dat ik altijd blijf koesteren.”

Pim van Renssen (87) had een maagzweer na de bevrijding. Hij mocht met het Rode Kruis naar een gastgezin in Denemarken om aan te sterken.

''Na de bevrijding in ’45 was ik een tobbertje. Vanwege een maagzweer kon ik nauwelijks nog eten verdragen. Mijn moeder regelde dat ik via het Rode Kruis naar Denemarken werd gestuurd. Vanuit Groningen zijn wij in vrachtwagens met matrassen op de vloer over platgebombardeerde wegen naar Denemarken gebracht. In een voormalig Duits strafkamp werden we grondig gedoucht, ­geschrobd en ontluisd. Vervolgens werden we overgebracht naar een hotel, waar alle kinderen hun pleegouders zouden ontmoeten. Daar stond ik dan, een mager scharminkel met een kale kop en een petje. Toen iedereen elkaar ­gevonden had, bleef ik als enige over. Achteraf bleek dat mijn pleegmoeder er toch maar van af had gezien. Toen kwam er een echtpaar naar voren dat me wel in huis wilde nemen. Ik kwam bij het liefste ouderpaar dat ik me had kunnen wensen. Mijn pleegmoeder maakte allerlei licht verteerbare voeding om mij weer een rond koppie te bezorgen. Ze pakte me ook bij mijn lurven en stuurde me naar school, want ik moest de taal leren.

Eenzaam voelde ik me geen ­moment;­ de enige die ik miste was mijn zusje en daarom hebben mijn pleegouders ook haar naar Denemarken laten komen. In de weekenden gingen we naar het zomerhuis om te roeien en te zwemmen. Een groter contrast met thuis waar we niks hadden, was niet denkbaar. Maar liefst zeven maanden ben ik in Denemarken gebleven. Toen ik thuiskwam, weigerde ik uit de bus te stappen en wilde ik ook geen ­Nederlands meer praten.

Sindsdien bracht ik de zomers door in Denemarken. De band met mijn pleegouders is altijd gebleven. Denemarken is mijn tweede vaderland geworden.”

Jenny van Dam-Iedema (88) vertrok voor acht maanden naar Zweden, waar ze genoot van feestjes en skiën met haar pleegzusje.

Als 11-jarig meisje vertrok ik in een grote vrachtwagen met andere kinderen naar Zweden. We sliepen in slaapzakken­ op stro. Eerst verbleven we zes ­weken in een hotel. Omdat ik ­weinig kleren had, kreeg ik een koffer vol met onder andere een winter­jas, muts, schoenen en sokken. Uiteindelijk werd ik in Stockholm door mijn pleegouders opgehaald. Ze hadden een zoontje van 4 jaar en van mij werd verwacht dat ik op het jongetje zou passen. Ook ’s avonds was ik alleen met hem. Ik was bang in dat grote, alleenstaande huis en dat schreef ik aan mijn ouders. Gelukkig werd er een ander pleeggezin geregeld. Wat heb ik daar een gouden tijd beleefd! Er was een dochter van mijn leeftijd. Samen gingen we op de fiets naar school en ’s winters op ski’s. Marianne nam me mee naar haar vrienden en ik mocht overal aan meedoen. Feestjes en verjaardagen; ik herinner me een kreeftenparty en met kerst dansen om de kerstboom.

Doordat deze familie zo hecht was en alle ooms, tantes, nichten en ­neven veel bij elkaar op bezoek kwamen, had ik weinig last van heimwee. Ik was de vakantie­dochter van het gezin en ze trokken hun eigen dochter absoluut niet voor. Voor de grootouders was ik gewoon een van de kleinkinderen. Toen ik na acht maanden weer terug­ging naar Nederland, heb ik erg gehuild bij het afscheid. Een paar jaar later kwam het hele gastgezin, inclusief oma’s, bij ons langs! Met het gezin heb ik altijd contact gehouden. Marianne noemde me haar ‘halfzusje’. De laatste keer dat ik in Zweden was, was op haar ­begrafenis. De Zweedse taal spreek ik nog steeds en ik ben een zwak blijven houden voor dit land. Ik had er een onvergetelijke tijd.”

 

Geboren in de Tweede Wereldoorlog: Pluslezers blikken terug op hun eerste levensjaren: www.plusonline.nl/oorlogsbabys