Zo Idyllisch is het nergens

Statige landhuizen, romantische bomen­lanen, golvende grasheuvels, sierlijke standbeelden, rimpelende vijvers: op de meeste landgoederen die Nederland rijk is, kun je prachtige wandelingen maken.

Onder abelen met hun fluweelzachte blad bloeien lelietjes-van-dalen en salomonszegel. Vanachter een haag klinkt het plokplok van tennisballen. De fotograaf en ik lopen over Landgoed Hunderen, het voormalige landgoed van de Heren van de thee, waaraan schrijfster Hella Haasse haar gelijknamige roman wijdde: de familie Kerkhoven trok zich hier, rijk geworden in de Javaanse theecultures, terug. Voor de spierwitte gevel van het statige landhuis koestert een oud heertje, heel alleen, zich in de warmte. Het is nu een ‘zorgcentrum voor dementerende ouderen’.

Is het toeval dat de eigenaar die het landgoed in 1975 aan het Geldersch Landschap verkocht, bijna zo heet als de prijswinnende auteur van De tolk van Java: Birnie? Was hij een kennis van de familie uit Nederlands-Indië? Overal konden in die tijd landheren het onderhoud van hun grondbezit, landhuis en andere opstallen niet meer opbrengen en zagen zich gedwongen tot verkoop. 

Zo werden de meeste landgoederen openbaar bezit. Ze kwamen in handen van Natuur­monumenten, Staatsbosbeheer of de provinciale Landschappen. En waar ze eeuwenlang verboden terrein voor buitenstaanders waren geweest, stond voortaan op bordjes naast de imposante, smeedijzeren toegangshekken: ‘Opengesteld.’ Zo wilden het de nieuwe ­eigenaren, tot genot van het grote publiek.

Het rijk alleen

We lopen hier rond Twello in Gelderland door een snoer van landgoederen. Het is een van de vele Nederlandse dorpen die door zulke lustoorden omringd worden, net als Wassenaar, Overveen, Oosterbeek, Rheden, Doorn en ’s-Graveland.

Over de spoorbrug zijn we in Deventer de rivier overgestoken. Die stad had door zijn tropische landbouwschool nauwe banden met Nederlands-Indië en wie in de kolonie zijn tropenjaren winstgevend had uitgediend, ­vestigde zich graag hier in de IJsseldelta. 

Op Landgoed Bruggenbosch bekijken we in bewondering het majestueuze landhuis, maar dan lezen we in onze routebeschrijving dat het oorspronkelijke huize Brug en Bosch al 65 jaar geleden is gesloopt en dat we naar nieuwbouw uit 2016 kijken. Het is een ­domper, maar ach, als je iets nabouwt, kun je het beter zo nauwgezet in stijl doen als hier gebeurde. 

Grazige wegen voeren ons langs weiden en bosranden, smalle paden slingeren door laag geboomte, fietsers houden zich in het rulle zand maar net in het zadel. Verder zien we hier niemand. Het is zondags wandelweer, we hebben het rijk alleen.

Hedendaagse landheer

Dan naderen we over een schouwpad langs een sloot de toren van Twello, die we allang boven bomen uit zagen steken. Hij markeert echter niet de kern van het dorp, zoals we, verlangend naar horeca, hoopten. De Martinuskerk staat op het domein van de voormalige ridderburcht Duistervoorde, die met de omringende landerijen in 1864 is opgekocht door katholieken. Zelfbewust als ze waren na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie stichtten ze deze kerk en vestigden in het fraaie ridderhuis een bewaar- en naaischool.

Later in de middag zien we een indrukwekkende okeren gevel oprijzen achter rododendrons. Door een landschapspark in Engelse trant, met waterpartijen en golvende gras­velden, komen we aan de voorzijde van huis Het Schol. Het brandde veertig jaar geleden af en kon toen in de film A Bridge Too Far mooi dienstdoen als het gebombardeerde Oosterbeekse hotel Hartenstein. Maar we moeten op afstand ervan blijven: niet elk landgoed is opengesteld. Hier woont nog een hedendaagse landheer.

Statige zwanen

Met het voetveer steken we de IJssel weer over om vanaf een terras op de kade in ­Deventer uit te zien op het land aan de ­overzijde van de rivier, met zijn schat aan deftige landhuizen en romantische parken. Het dogma van de wandelaar wil dat je om te wandelen naar de bossen moet. De natuur in! Maar er zijn nadelen verbonden aan het bos: tussen de bomen is er geen of weinig ­uitzicht, onder dennen groeit weinig en als de zon schijnt loop je er in de schaduw.

Na een halve eeuw op het wandelpad prefereer ik landgoederen. “Maar dat is geen natuur”, krijg ik dan te horen, “een landgoed is een en al kunstmatigheid!” Klopt, alleen is alle zogenaamde natuur in Nederland net zo kunstmatig. Dan kan de omgeving beter sierlijk zijn ingericht, met lange zichtlijnen door statige bomenlanen, met door mensenhand opgeworpen golvende grasheuvels, met sierlijke witte standbeelden van bevallige dames en klassieke helden, met statige zwanen in het rimpelend water van grote vijvers, een duiventil, of – zoals op Landgoed Rosendael bij Arnhem – een schelpengalerij en een gebeeldhouwde Neptunus die met zijn drietand een waterval bewaakt. 

Duistere loofgang

Enkele kilometers daarvandaan, op ­Sonsbeek, kan de wandelaar onder een waterval door lopen en door een gordijn van vallend water naar het park kijken. En niet veel verder, op Landgoed Mariëndael, door de mooiste berceau van Nederland ­lopen, een koele en duistere loofgang van wel vierhonderd meter, glooiend tegen de heuvels, waar adellijke dames konden ­flaneren zonder zich aan zon bloot te stellen. Dat heb je allemaal niet in het bos. En dan: natuur is mooi maar je moet er iets bij te drinken hebben. 

(Welke dichter zei dat? Het is een eeuwig dispuut: Willem Kloos of J.C. Bloem, die beiden nogal dorstig waren.) Niet zelden hebben nieuwe eigenaren van landgoederen de landhuizen, koetshuizen of bijgebouwen ingericht voor horeca, zoals op Mariënwaerdt aan de Linge (brasserie en pannenkoekrestaurant), de restaurants op het chique Warnsborn en in het stadspark Sonsbeek, beide bij Arnhem, of het theehuis op Clingendael bij Den Haag. De wandelaar kijkt er bij een versnapering vorstelijk uit over het fraai aangelegde park en stelt zich voor dat hij zelf tot de landadel behoort. 

Landgoed Top 5

Rond Arnhem: de wandelaar loopt van het spoorstation de landgoederen op en verlaat ze amper meer tot hij terug is op het perron, zo dicht aaneengeregen zijn ze: Diependal, Mariëndael, Bosveld, Lichtenbeek, Warnsborn,  Gulden Bodem, Zypendaal, Sonsbeek. Zoek in Google op ‘Groene Wissel 100’. Lengte 17 kilometer.
Bij ’s-Graveland: een snoer van liefst acht landgoederen, ooit ­riante buitenverblijven van Amsterdamse kooplieden: Boekesteyn, Schaep en Burgh, Bantam, Hilverbeek, Spanderswoud, Land en Bosch, Gooilust, Jagtlust. Zoek in Google op ‘OV-stapper Gooise Lustoorden’ of ‘Wandelroute ’s-Gravelandse Buiten­plaatsen’. Lengte 17 kilometer.
Rondom Den Haag: vanaf Centraal Station meteen het Haagse Bos in en dan via Huis ten Bosch, Clingendael, Marlot, Duinzigt en eventueel Meijendel terug. Zoek in Google op ‘Groene Wissel 10’ of ‘Groene Wissel 497’. Lengte 11 kilometer. 
Door Oranjewoud: koninklijk landgoed met diverse fraaie landhuizen, aan de zuidzijde de ‘ecokathedraal’ van Le Roy, aan de noordzijde het prachtige ­Museum Belvédère. Zoek in Google op ‘Trage Tocht Oranjewoud’ (11 kilometer) of ‘Groene Wissel 106’ (20 kilometer).
Om Twello heen: in de IJsseldelta door en langs de landgoederen Hunderen, Kruisvoorde, Parckelaer, Bruggenbosch, ’t Weezeveld, Hartelaer, Duistervoorde en Het Stol. Zoek in Google op ‘OV-stapper Twellose Landgoederen’. Lengte 20 kilometer vanaf NS-station Deventer, tot aan NS Twello 11 kilometer.

Bron(nen):