Hannibals Alpentocht

In het hooggebergte nadert de winter. De schaduwen lengen, de temperaturen dalen vervaarlijk. Iedereen trekt zich terug in zijn eigen dal, achter zijn eigen luiken. Het laatste waar je als Alpenbewoner in 218 v.Chr. nu op rekent is het opduiken van een onvoorstelbaar grote menigte, met enorme aantallen ruiters. Maar het ergst is wat daarachter opduikt: hoger dan een berghut, met reusachtige slagtanden, oren groot als berenvellen, de gerimpelde huid van honderdjarigen en – o schrik – een monsterlijk lange neus!

Met olifanten door het hooggebergte: Hannibals Carthagers presteerden het schijnbaar onmogelijke. Maar of ze er zoveel mee opschoten? Je zou Hannibals tocht over de Alpen kunnen beschrijven als de maanlanding van de Oudheid. Het was een technisch en logistiek hoogstandje – dat trouwens net zo makkelijk op een ongekend fiasco uit had kunnen lopen. Want laten we wel wezen: olifanten in sneeuwbuien over het hoogste gebergte van Europa te leiden is even onwaarschijnlijk als Cleopatra op een Vikingschip op de kust van Groenland te laten landen. Van de verpletterende indruk die dat op plattelanders én de stedelingen van toen maakte kunnen ons slechts een vage voorstelling vormen.

Gratis special bij abonnement

Maak nu voordelig kennis met G-Geschiedenis en lees interessante verhalen over historische gebeurtenissen. U ontvangt 8 nummers voor slechts €25, het abonnement stopt automatisch en u ontvangt bovendien de special Santiago de Compostela t.w.v. €7,50 cadeau.

Met 90.000 infanteristen, 10.000 ruiters en 37 strijdolifanten was Hannibal in het voorjaar van 218 v.Chr. opgebroken uit Nieuw Carthago, het huidige Cartagena in het zuidoosten van Spanje. Hij koos stoutweg voor een aanval op de Romeinen in eigen land. Maar hoe naar Italië te komen? De zeeweg was uitgesloten, want die beheersten de Romeinen, evenals de Italiaanse kust, waar garnizoenen gelegerd waren. Nee, de enige optie die nog open stond was de noordelijke route, via de Alpen. Hannibal wist ongetwijfeld van de veldtochten van Alexander de Grote: hij kwam soortgelijke obstakels tegen en koos identieke oplossingen. De eerste grote hindernis lag op de weg daarheen: de Rhône, een brede rivier met een sterke stroming. Hoe zet je daar olifanten over? De geschiedschrijver Polybius beschrijft deze spectaculaire onderneming als volgt: ‘Door op die manier telkens [twee vlotten aan twee andere] vast te maken, slaagde men erin de meeste dieren naar de andere oever te brengen. Sommigen daarvan stortten zich uit angst midden tijdens de oversteek in de golven. Hun berijders kwamen daarbij om het leven, terwijl de dieren gered konden worden. Dankzij hun postuur en de lengte van hun slurf, die ze boven water hielden, redden ze het, hoewel ze daarvoor grotendeels onder water moesten lopen.’

Intussen waren de Romeinen natuurlijk wakker geschrokken en ze stuurden hun consul Publius Cornelius Scipio – de vader van de veldheer Scipio Africanus – naar de streek rond Massalia, het huidige Marseille. Hij moest Hannibal de pas afsnijden, maar kwam een paar dagen te laat en maakte daarom rechtsomkeert. Hij zal gedacht hebben dat die zotte Hannibal hoog in de bergen wel zijn ijzig graf zou vinden. Probleem opgelost. De Alpentocht zelf is in nevelen gehuld. De twee voornaamste geschreven bronnen stammen van de Griekse geschiedschrijver Polybius, die een paar decennia later leefde, en van de Romein Titus Livius, wiens verslag maar liefst van twee eeuwen later dateert. Waarschijnlijk maakten ze beiden gebruik van verloren gegane ooggetuigenverslagen, al spreken ze elkaar hier en daar ook tegen. Onder moderne historici zijn bijna alle hoofdpunten van de tocht omstreden: de gekozen route door de zuidwestelijke Alpen naar de Povlakte, de verliezen die daarbij geleden werden. In de late herfst moeten er boven in de bergen al ijzige temperaturen geheerst hebben, al bewijzen wetenschappers dat het daar destijds minder koud was dan tegenwoordig. Maar de wegen waren er zo smal, dat er soms maar een paar man naast elkaar kon lopen. Leger en tros vormden daardoor een uitgerekte stoet, die door de Keltische bergbewoners gemakkelijk met pijl en boog en rotsblokken te bestoken was.

De door de klassieke schrijvers genoemde huizenhoge verliezen moeten in elk geval met een korreltje zout genomen worden. Het zou hun er vooral om te doen geweest kunnen zijn Hannibal als bloedhond voor te stellen, die bij de uitvoering van zijn waanzinnige plannen nergens voor terugschrok. Hannibal liet op een door hem opgerichte zuil weten de helft van zijn manschappen te hebben verloren, maar wellicht overdreef hij om zijn latere overwinningen in een nog gunstiger daglicht te stellen. Maar er is ook de mogelijkheid dat de aantallen wel degelijk kloppen. In dat geval was de tocht gelijk een stuk minder geniaal en krijgt zij veel van een wanhoopsdaad. De gerenommeerde classicus Karl Christ sprak desondanks van een ‘in elk opzicht imponerende prestatie’. Carthago-expert professor Pedro Barceló stelt daar tegenover dat de feiten ‘veel nuchterder’ zijn dan de latere legenden. Eén ding moet je Hannibal laten: hij was bereid het schier ondenkbare te doordenken – en ten uitvoer te brengen. En dat niet overhaast en in grootheidswaanzinnige zelfoverschatting, maar na een optimale voorbereiding.

In Italië werd Hannibal door Scipio opgewacht. Aan de rivier de Ticinus kwam het in november 218 v.Chr. tot de eerste veldslag. Het werd een clash van twee totaal verschillende strijdmethodes: aan de ene kant het zeer gedisciplineerde, uniform gedrilde Romeinse leger, aan de andere een bonte mengeling van huurlingen, die alle vuile kneepjes van het krijgsbedrijf kenden. Zo vielen de Numidische ruiters de Romeinen na een listige omtrekkende beweging in de rug aan en behaalden daarmee de overwinning. De bevelvoerende consul raakte zwaargewond. Exit Scipio. Intussen naderde tweede consul Tiberius Sempronius Longus in ijlmarsen. Hij voerde het bevel over de Romeinse hoofdmacht, die eerder naar Sicilië was overgestoken om het krijgstoneel naar het Carthaagse achterland in Noord-Afrika te verplaatsen. Door Sempronius’ ommekeer had Hannibal een van zijn voornaamste doelen al bereikt: de bedreiging van thuisland Carthago afwenden.

In december van datzelfde jaar volgde een tweede veldslag. Dit keer lokte Hannibal de Romeinse troepen het ijskoude water van de rivier de Trebia in, om ze op de oever te omsingelen en te decimeren. Naar het schijnt deed hij daarbij zijn voordeel met de informatie dat Sempronius een heethoofd was, die voor afloop van zijn eenjarige consulschap per se nog een veldslag wilde afdwingen. Die had hij nu gekregen – om als verliezer terug te keren naar Rome. Exit Sempronius.
Maart 217 traden in Rome twee nieuwe consuls aan: Gnaeus Servilius Geminus en Gaius Flaminius. Beiden voerden een groot leger naar Noordoost-Italië en wachtten Hannibal op bij Ariminum (het huidige Rimini) en Arretium (het huidige Arezzo). Maar weer was Hannibal zijn tegenstanders te slim af. Ten eerste brak hij veel eerder op dan verwacht, al bij de eerste tekenen van lenteweer, ten tweede meed hij de verwachte route en trok over de Apennijnen en door de moerassen van de Arno westwaarts aan de beide legers voorbij.

Op de mars door de moerassen schijnt Hannibal ernstig ziek geworden te zijn en een oog verloren te hebben. Maar het beoogde verrassingseffect kreeg hij: er zat voor de beide consuls niets anders op dan hem achterna te jakkeren. Op een smalle weg langs het Trasimeense meer overviel Hannibal het leger van Flaminius en hakte het in de pan. Onder de 15.000 Romeinse gevallenen bevond zich ook de consul zelf. Exit Flaminius. In Rome brak paniek uit. Er werd voor een half jaar een dictator gekozen: Quintus Fabius Maximus Verrucosus. Die schakelde van de aanval over op de verdediging. Hannibal kon immers op de lange duur niet winnen, want het mankeerde hem aan proviandering. Gewoon afwachten tot een uitgehongerde agressor de aftocht blaast. Maar ook dit was geen best plan: Hannibal trok naar het welvarende Apulië en Campanië en nam wat hij nodig had. Exit Fabius.

In 216 werden er weer twee consuls gekozen: Gaius Terentius Varro en Lucius Aemilius Paullus. Zij gooiden het roer om en brachten het grootste leger dat Rome tot dan gezien had op de been, om en nabij de 90.000 man sterk. Maar Cannae (zie het artikel op blz. 34 e.v.) werd Romes zwartste dag. Paullus zelf sneuvelde, evenals de vroegere consul Gnaeus Servilius Geminus. Rome, dat zich zo voorstond op zijn legertraditie, had zijn beste mensen tegen Hannibal in de strijd gegooid en ondanks een numeriek overwicht keer op keer het onderspit gedolven. Nu rees de bange vraag: exit Rome?

Bron: Geschiedenis.eu