6 vragen over hartfalen

Is hartfalen hetzelfde als een hartaanval?

Steeds meer mensen krijgen hartfalen. “We verwachten in de komende vijftien jaar een stijging van 43 procent”, zegt cardioloog Petra van Pol van het Alrijne Ziekenhuis in Leiderdorp. Gelukkig is de ziekte steeds beter te behandelen.

1. Is hartfalen hetzelfde als een hartaanval?

Cardioloog Van Pol: “Dit is een belangrijke vraag, want weinig mensen weten wat hartfalen precies is. Het is níét hetzelfde als een hartaanval (ook hartinfarct genoemd). Bij hartfalen is de pompfunctie van het hart verminderd, waardoor er niet meer voldoende bloed in het lichaam wordt rondgepompt. Er ontstaan klachten als vermoeidheid en kortademigheid. Ook vochtophoping bij de longen en in de benen is een symptoom. Al is hartfalen niet hetzelfde als een hartaanval, een aanval kan wel tot een verminderde pompfunctie leiden. Hetzelfde geldt voor een ritmestoornis en een ‘lekkende’ hartklep. Een hoge bloeddruk, overgewicht en diabetes vergroten ook de kans op hartfalen. Nederland telt 227.000 mensen met hartfalen. Op dit moment krijgt naar schatting één op de vijf mensen de ziekte. Voor 65-plussers is hartfalen de meest voorkomende reden van een ziekenhuisopname.”

2. Hoe weet je of je hartfalen hebt?

“Herkennen is moeilijk. Wie is er niet weleens moe? Maar heb je last van drie belangrijke symptomen tegelijkertijd – vermoeidheid, kortademigheid en vocht in de benen – dan kan dat een reden zijn om bij de huisarts aan de bel te trekken. Je kunt er tegenwoordig al bij de huisarts achter komen of je hartfalen hebt. Denkt de dokter in deze richting, dan wordt er meestal een hartfilmpje gemaakt en bloed afgenomen. Om informatie over de pompfunctie van het hart te krijgen, moet de arts het stofje ‘NT-proBNP’ aankruisen op het labformulier. Je kunt er zelf op letten of hierop wordt getest: het stofje staat er namelijk pas sinds 2010 op en niet iedere huisarts denkt eraan. Bij een lage waarde en een normaal ECG mag je ervan uitgaan dat je hart goed werkt. Bij een afwijking is het verstandig om verder te kijken. Meestal zal er dan een echo van het hart worden gemaakt, waarbij de pompfunctie grondiger beoordeeld wordt.”

3. Er komen steeds meer hartfalenpoli’s. Zijn die echt nodig?

"Je kunt deze afdeling zien als een tussenstation tussen een bezoek aan de huisarts en opname in het ziekenhuis. De artsen en verpleegkundigen hebben veel kennis over hartfalen. Dokters, maar ook onderzoekers, zijn zich steeds meer bewust dat het belangrijk is de oorzaak van hartfalen te weten: zo kan er een passende behandeling gekozen worden. Heeft iemand overgewicht? Dan is afvallen belangrijk. Heeft iemand een hartaanval gehad? Dan is er andere zorg nodig. De poli’s spelen ook een belangrijke rol bij het begeleiden van patiënten in het dagelijks leven. Denk aan hulp bij medicijngebruik – patiënten moeten veel pillen slikken – en bij het opvolgen van leefstijladviezen: zout is bijvoorbeeld niet goed voor iemand met hartfalen. De poli is het eerste aanspreekpunt voor patiënten. Als het niet goed gaat, hoef je dus niet te wachten tot je bij de huisarts of cardioloog terecht kunt, maar kun je direct je eigen verpleegkundige bellen, die alles van je situatie weet. Uit onderzoek blijkt dat patiënten van hartfalenpoli’s langer in leven blijven en zich ook beter voelen, meer welzijn ervaren. Verder leiden de poli’s tot maar liefst 30 procent minder ziekenhuis-opnamen: de aandoening blijft dus langer stabiel. Waarom dit zo belangrijk is? Van de mensen die vanwege ernstig hartfalen in een ziekenhuis terechtkomen, overlijdt 40 procent binnen het jaar daarna."

4. Van welke nieuwe medicijnen wordt veel verwacht?

"Mensen met hartfalen slikken vaak verschillende soorten pillen: middelen die de pompkracht van het hart verbeteren en plastabletten, die het vochtprobleem aanpakken. Ik verwacht veel van een type medicijn dat nu nog vooral wordt voorgeschreven aan mensen met diabetes: de zogeheten SGLT-2-remmers, zoals dapagliflozine, empagliflozine, enzovoort. Ik noem het zelf suikerplassers: de tabletten zorgen er namelijk voor dat iemand meer suiker uitplast, wat de glucosewaarde in het bloed verlaagt. Een hartfalenpatiënt heeft er misschien ook baat bij, want deze middelen werken op een andere manier dan ‘gewone’ plastabletten. Dus er komt meer keuze. Daarnaast blijkt dat door het gebruik van SGLT-2-remmers de kans op hart- en vaatproblemen afneemt. Misschien kan het dus preventief werken bij mensen met diabetes, die meer risico hebben een hartziekte te ontwikkelen. Er wordt nu wereldwijd onderzoek gedaan naar de werking en het effect van SGLT-2-remmers bij hartfalen. De eerste resultaten worden volgend jaar verwacht. Het Groningse UMCG onderzoekt momenteel of een al langer voorgeschreven medicijn, digoxine, tot minder ziekenhuisopnamen leidt. Een aantal jaren geleden slikten nog veel hartfalenpatiënten dit middel, dat de pompkracht van het hart verbetert. Het raakte wat in de vergetelheid toen uit onderzoek bleek dat een hoge dosis digoxine niet beter werkte dan een placebo, oftewel een nepmedicijn. Uit andere studies bleek echter dat een lage dosis digoxine tot een betere levensverwachting leidt. Voor het UMCG in Groningen was dit aanleiding om te gaan onderzoeken of mensen die digoxine krijgen, minder vaak in het ziekenhuis worden opgenomen.”

5. Nieuw is een inwendige sensor die voortdurend de hartfunctie meet. Handig?

"Patiënten met hartfalen doen nu al veel aan selfmanagement: ze staan vaak op de weegschaal omdat het belangrijk is het vochtgehalte in hun lichaam in de gaten te houden. Als het gewicht plots toeneemt, moeten ze aan de bel trekken. Steeds meer apparatuur neemt die taken over en stuurt automatisch gegevens door naar arts of verpleegkundige; weegschalen en bloeddrukmeters bijvoorbeeld. In Nederland zijn 1200 mensen met hartfalen die nu een vorm van telemonitoring, want daar hebben we het over, gebruiken. Dat is niet veel op het totale aantal van 227.000 patiënten. Misschien gaat de Cardiomems, een inwendige sensor, het gebruik van telemonitoring een boost geven. Dit is een nieuwe en veelbelovende vorm van zorg op afstand. De komende drie jaar testen 340 patiënten in heel Nederland dit apparaatje, dat geïmplanteerd wordt in de longslagader. De studie wordt uitgevoerd door het Erasmus MC en twintig ziekenhuizen doen eraan mee. Elke ochtend gaat de drager achttien seconden op een speciaal kussen liggen, waarna de meetgegevens naar de arts worden gestuurd. Het mooie is dat als de pompfunctie van het hart vermindert, de arts dat al ziet voordat de patiënt klachten krijgt. Er kan dan op tijd bijgestuurd worden. Ik verwacht dat de sensor over een jaar of drie beschikbaar is voor alle patiënten."

6. Wat als een behandeling niet meer mogelijk is?

"Ondanks al deze positieve ontwikkelingen blijft hartfalen een aandoening met slechte vooruitzichten. De kans dat je vijf jaar na de diagnose nog in leven bent, is 50 procent. De arts zal dus vroeg of laat het gesprek brengen op de laatste levensfase. Wil je doorgaan met de medische behandeling tot het eind? Of kies je voor palliatieve zorg, die gericht is op het verminderen van pijn en lijden? Het is verstandig hier op tijd over na te denken: zo is te voorkomen dat je acuut in het ziekenhuis belandt en daar overlijdt. Mensen die voor palliatieve zorg kiezen, geven aan een betere kwaliteit van leven te hebben dan de mensen die deze niet krijgen. Je kunt samen met je arts bepalen welke zorg het best past. En natuurlijk zijn je eigen wensen en situatie daarbij het belangrijkst."

Dit artikel is eerder verschenen in Plus Magazine december 2019. Nog geen abonnee van Plus Magazine? Abonnee worden doet u in een handomdraai!

Bron(nen):