Interview Jeroen Spitzenberger: 'Nieuwe kansen en dromen, dát is luxe'

'Steeds opnieuw mijn succes bewijzen, houdt me nederig'

Amanda Drost
Amanda Drost

Hij is een bevlogen en succesvol acteur. En natuurlijk vindt Jeroen Spitzenberger het leuk om lof te krijgen. Maar de echte beloning? “Als mensen denken: wacht even, dit gaat eigenlijk een beetje over mij.”

JEROEN SPITZENBERGER (20 januari 1976, Rotterdam) studeerde in 1998 af aan de Toneelschool in Arnhem. Hij speelde bij gerenommeerde gezelschappen als Toneelgroep Amsterdam en Toneelgroep Maastricht en werd bij het grote publiek bekend door zijn rollen in De tweeling, Alles is liefde, Süskind, Het jaar van Fortuyn, Bloedverwanten en Oogappels. Hij is vader van drie zonen. Van 20 februari tot en met 6 juni speelt hij Oom Wanja, een productie van Toneelgroep Maastricht.

Je speelde bij Toneelgroep Maastricht al in De kersentuin van Tsjechov. Je gaat er nu Oom Wanja doen. Voelt het alsof je terugkeert bij twee oude liefdes? 

“Zeker! Toen ik eind jaren 90 van de toneelschool kwam, had ik het grote geluk meteen in Tsjechovs De woudduivel van de door mij zeer bewonderde regisseur Mirjam Koen te mogen spelen. In feite was dat een voorstudie op Oom Wanja, de plotlijnen zaten er al in. Voor mij komt de cirkel nu rond, ruim 25 jaar later, bij Toneelgroep Maastricht, in een regie van Michel Sluysmans. Het fenomenale in het spelen van Tsjechov is dat het acteurs zoveel materiaal en ruimte geeft om doorbloede, echte mensen te spelen. Ploeterende mensen zoals jij en ik. 

Tsjechov heeft daar scherp de vinger opgelegd, geestig en tragisch, maar altijd zo dat je er een glimlach van herkenning door krijgt. Hij laat mensen naar hun eigen worstelingen kijken, zonder dat ze er iets aan kunnen veranderen. Dat is ontroerend en blijkbaar tijdloos. Voor acteurs is dat geweldig, omdat je personages kan laten resoneren bij het publiek. Waarbij je natuurlijk hoopt op herkenning en troost.”

Je hebt weleens gezegd: door toneel te spelen hoop je eigenlijk de waarheid naar boven te krijgen.

“Ja! Goede kunst, wat het ook is, brengt iets naar boven via vorm, een gekozen taal en stilering, waarbij uiteindelijk de beloning moet zijn dat mensen denken: wacht even, dit gaat eigenlijk een beetje over mij. Als je dat naar boven kan laten drijven, doe je iets goed.”

Je noemde Cyrano je droomrol, maar nu heb je er weer één. Dat is de kunst: na de top van de berg een nieuwe top zoeken?

“Dat is het. Na de toneelschool had ik twee dromen. Ik wilde niets liever dan een keer met Mirjam Koen werken en ik wilde een keer in een film spelen. Aanvankelijk denk je nog: gaat het allemaal wel lukken? Je voelt je ouders nog over je schouder heenkijken. Na één jaar had ik al een honderd procent score, dus: wat nu? Maar ik heb het altijd als een soort luxe ervaren dat er steeds weer nieuwe kansen en nieuwe dromen kwamen. Voor mij werkt dat echt zo.

Sommige dingen, zoals Tsjechov of Cyrano, zitten al járen in mijn hoofd, maar dat je Fortuyn of Süskind mag spelen, dat had ik niet kunnen verzinnen. Op Cyrano ben ik apetrots, ik was net vader geworden van een derde kindje, het leven was buitengewoon hectisch. Dat het toch zo succesvol is verlopen, heeft me veel nieuwe energie gegeven. Waarmee ik nu aan Oom Wanja begin.”

Mensen die je goed kennen noemen je de koning van de timing, hoe gaat dat je helpen bij het spelen van Wanja?

“Dat is nog aan mij om dat uit te vogelen. Iedere situatie vraagt om een andere benadering. Soms moet je als acteur een half metertje vooruit lopen bij je publiek, zoals bij Cyrano, dat je al net iets zegt of doet wat niemand nog verwacht. Bij Oom Wanja vind ik het nog heel spannend om dat proces aan te gaan.

Humor die ontstaat uit tragiek is zo fijn. Dan lachen de mensen uit mededogen

Ik sta van nature vrij vrolijk in het leven, maar Wanja is een depressieve, veel drinkende man. En bij Tsjechov worden altijd veel dingen niet gezegd, je voelt bij de dialogen en monologen dat er nog van alles onder brandt. De personages kunnen soms de woorden niet vinden. Interessant om dat onuitgesprokene toch te spelen.”

Of je nu in de film Alles is liefde speelt of in tv-series of in toneelstukken, het tragikomische is jou wel echt op het lijf geschreven, hè?

“Ja, ik geloof daar heilig in. En houd er zeer van. De balans tussen het leven heel serieus nemen en tegelijk er het absurdistische van inzien is mij lief. Als er vanuit de tragiek humor kan ontstaan is dat zo fijn. Die bodem van pijn, verlangen, eenzaamheid, twijfel, melancholie geven het palet, de kleuren. Maar als je je van dit alles bewust bent, lacht dat zoveel lekkerder, dan lach je uit mededogen. Maar ook uit herkenning. Tsjechov geeft ons een spiegel. Daarin zie je mensen die een bepaald zelfbewustzijn aan de dag leggen, maar er vervolgens niks mee doen. Ons hele leven heeft iets Tsjechoviaans. 

Geen mens ontkomt eraan in cirkels van situaties en gedrag te zitten. Als je kijkt naar stukken van Tsjechov, komt er een moment dat je denkt: dit heeft toch ook met mij te maken. En meteen weet je: maar waarschijnlijk is dat zo voor alle mensen hier in deze zaal. Dat is troostend. Je bent niet de enige die zo worstelt. Tegelijk geeft die spiegel inspiratie er eindelijk eens wat aan te gaan doen. Dat mensen denken: ja, wacht eens even, maar ik ga er nu verandering in brengen. Roer om! Dat is ook de taak van kunst: mensen zetjes geven.”

Jullie spelen liefst 57 voorstellingen in het hele land. Een uitputtingsslag of juist de kans het stuk steeds meer te verdiepen?

“Hier raak je een bitterzoet gevoel. Want het is exact wat je zegt. Na een voorstelling of twintig ga je denken: oh, maar dáár zit het hem dus in! Ik had daar en daar al eerder moeten intunen of dat ene contrast zo en zo moeten uitdiepen.

Het voortschrijdend inzicht, nieuwe ontdekkingen doen, dat hoort erbij. Geen enkele voorstelling is hetzelfde. Dat maakt dat je almaar groeit, dat maakt ook dat je denkt: shit, dat had ik eerder moeten ontdekken. Ons lot en ons geluk tegelijk. Aan de andere kant: we spelen iedere voorstelling op de allerbeste manier, omdat we iedere avond als uniek zien. De kaarten worden steeds opnieuw geschud. Dat moet de houding zijn. Overigens heb ik Cyrano 77 keer gespeeld, dus dit valt nog mee.”

Je zei aan het begin van je carrière dat je de wens had zo’n breed mogelijk oeuvre te spelen. Je bent van Prins Valentijn (Alles is liefde) en Divorce naar Fortuyn, Süskind, Hillis gegaan, hebt de meest klassieke stukken op het toneel gespeeld. Het is gelukt?

“Eh… ja. Já. Ik ben dankbaar. En durf het nu ook eindelijk te erkennen. Jarenlang heb ik alleen maar gedacht: ik moet me doorontwikkelen. Stilstaan vanuit het idee dat je iets hebt bereikt, dat mocht niet van mezelf. Dat is toch de Rotterdammer in mij: leuk hoor, dat succes, maar wat koop ik ervoor? Ik moet het iedere keer weer voor vierhonderd nieuwe mensen bewijzen. Ik moet er altijd staan. Die houding bevalt me heel erg. Het houdt me scherp en nederig. Een heel mooi iets van mijn vak: nooit kunnen teren op de prestatie van gisteren. Nominaties? Prijzen? Lof? Leuk, maar daarna meteen weer door. Ik ben heel procesgericht, ik heb geleerd altijd weer opnieuw te moeten leveren. Ongeacht de omstandigheden.

Steeds opnieuw mijn succes bewijzen, houdt me nederig

Aan de andere kant bekijk ik fouten juist minder streng. Ik denk dan: is het wel een fout of een interessante afwijking? En kan ik er dan iets mee? Het kan ook een cadeautje zijn, het dwingt je bepaalde keuzes tegen de spiegel te houden. Die open grondhouding bevalt me.”

Wat in Oom Wanja zit, maar sowieso in veel rollen die je speelt: al die onbereikbare liefdes en onvolkomenheden. Dat is wat een acteur als jou het meest intrigeert?

“Nou, het is het verliezen van je zelfbeeld wat me zo boeit. Het veranderende inzicht van: wie ben ik? Tsjechov geeft daarin zoveel lagen. Liefde heeft veel met projectie te maken: ik denk dat ik mijn beste zelf bij jou kan zijn en dat het dan werkt. Maar als dat niet zo blijkt te zijn, als het zelfbeeld wordt verstoord en je anders naar jezelf gaat kijken, wat zie je dan? Dan komen de essentiële vragen als: hoe ben ik eigen-lijk opgedroogd vanuit mijn opvoeding en jeugd? Iedereen is een leven lang een work in progress. Je doet ontdekkingen, trekt dingen die altijd zo zeker leken in twijfel. 

Waarom dacht je zo, aan welke verwachtingen wil je voldoen? Onbereikbare liefde heeft uiteindelijk iets met jezelf te maken. Dat vind ik heel mooi. Wanja is een eloquente klager die zichzelf heel bewust zit te kastijden. Dat je denkt: stop daar eens mee! Heerlijk om te spelen. Het is leuk dat als je ouder wordt, je deze rollen worden toevertrouwd. Jij zei net: je gaat al ruim 25 jaar mee in dit vak. Drie keer knipperen met je ogen en die nerveuze jongen van toen, die altijd tegen mensen opkeek, staat potverdorie zelf Wanja te spelen. Maar voor mijn gevoel was het eergisteren dat ik die jongen was.”

Auteur 

Reactie toevoegen

Comment

  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.