Lenny blogt: Ze was niet dood, alleen alles vergeten

Marcel van Roosmalen (53) is columnist, journalist en schrijver. Sinds zijn diep demente moeder (89) is opgenomen in het verpleeghuis gaat hij niet vaak bij haar langs: “Ze is nu zo dementerend dat ik er eigenlijk niet zoveel aan heb om langs te gaan en zij ook niet. Ze herkent mij niet, ze stelt het niet op prijs. Moet ik nog wel langsgaan?”

Wat heb ik er aan? Wat heeft zij er aan? Blijf ik haar opzoeken? Dat zijn gedurfde vragen. Herkenbare vragen, ook. Jarenlang bezocht ik als braaf-toegewijde dochter mijn moeder in het verpleeghuis. Ze had Alzheimer en zakte steeds dieper weg in haar dementie. Meermalen betwijfelde ik het nut van mijn aanwezigheid. Zoals al die keren dat ik met een boek op schoot naast een snurkende moeder zat. Een moeder die - als ze wakker schrok - me onthutst aankeek omdat ze werkelijk geen idee had wie er zo vrijpostig dichtbij was komen zitten. Of al die keren dat ze geen oogcontact maakte en dromerig omhoog staarde richting plafond, mij totaal negerend.

Wat heeft zij hieraan? Wat heb ik er aan? Het liefst wilde ik zo niet denken. Want voor je het weet, heb je je motivatie om de lange reis te ondernemen, om zeep geholpen. Maar als ik die vragen schoorvoetend toeliet, vond ik ook altijd antwoord: “Ja, ik heb er iets aan. Ja, zij heeft er iets aan.” Al weet je dat laatste nooit zeker.

Het is een onverbiddelijke waarheid dat mijn moeder ons al jarenlang niet meer herkende. Maar wij kenden haar wél. En we hielden van haar. Wij waren degenen – haar kinderen en haar man – die haar nog steeds liefdevol benaderden. We aaiden over haar donzige wangen, gaven een kus op haar marmeren voorhoofd. We pakten haar handen voorzichtig vast, masseerden ze zachtjes. Er was nabijheid en koestering en er waren zoete woordjes. Wij waren de enigen die haar dat konden bieden. Ik hoop – nee ik weet zéker - dat ze dwars door de mist in haar hoofd, daar toch iets van heeft geweten. Heeft gevoeld dat er van haar werd gehouden.

En wat had ik er zelf aan? Er bleef steeds minder van haar over, dat is waar. Ze was beslist nog niet dood, ze was alleen alles vergeten. Maar er waren nog steeds flinterdunne flarden van degene die ze  ooit was. Haar stem als ze hoestte. De spitse vorm van haar vingers, een bepaalde beweging van haar hoofd. De laatste restjes van mijn moeder. Het was niet veel, maar ik deed het ermee. Ik had er iets aan om naar haar toe te gaan. Ik was bij mijn moeder.