Interview Rinke van den Brink: ‘Alles wat ik doorstaan heb, is niet voor niks geweest’

Het begon met een blindedarmontsteking en het eindigde in een ernstige psychose. Rinke van den Brink (65) ondervond aan den lijve hoe kwetsbaar je bent als er medische fouten worden gemaakt. Nu hecht hij nog meer belang aan een betere patiëntveiligheid en het doorbreken van taboes op psychische ziekten.

Ruim drie jaar geleden kreeg NOS-redacteur gezondheidszorg Rinke van den Brink een blindedarmontsteking. Deze werd niet meteen serieus genomen, maar uiteindelijk middels een routineoperatie wel snel verholpen. Helaas maakte het medisch personeel daarna een aantal inschattingsfouten. Van den Brink kreeg niet genoeg antibiotica. Toen hij in het ziekenhuis met hoge koorts herhaaldelijk om een arts vroeg, was deze ‘te druk’ om te komen. Inmiddels wist Van den Brink dat hij alle verschijnselen vertoonde van een sepsis (bloedvergiftiging), een levensbedreigende aandoening.

Dankzij zijn werk als redacteur gezondheidszorg stond zijn telefoon vol contacten en wist hij via via te regelen dat er tóch een arts aan zijn bed verscheen. Daarna volgde langdurig antibioticagebruik met bijwerkingen en een ernstige psychose, getriggerd door de gebeurtenissen in het ziekenhuis. Hij kwam er weer bovenop door de goede zorg van de psychiatrische crisisdienst en de liefdevolle ondersteuning van zijn gezin. Over alles wat hem overkomen is, schreef hij het openhartige boek Ik ben er weer. Zwaar ziek door een medische fout. 

Van een blindedarmontsteking naar een psychose. Wat was de grootste fout die er is gemaakt?

“Na mijn operatie heb ik te weinig antibiotica gekregen. De arts deed dat uit nobele motieven – we moeten nou eenmaal terughoudend zijn met het gebruik hiervan – maar hij is afgeweken van de richtlijn en dat had hij niet moeten doen. De tweede ernstige fout was logistiek van aard. De arts-assistent die na mijn operatie verantwoordelijk was, had te veel werk op zijn bord liggen.

’s Avonds en in het weekend is de bezetting in de meeste ziekenhuizen laag. De assistent moest alles in zijn eentje doen en droeg zelfs nog een pieper op zak om te kunnen worden opgeroepen voor reanimatie. Arts-assistenten hebben natuurlijk altijd een supervisor als achtervang, maar ze voelen vaak schroom om die in te schakelen. Ze willen geen watjes zijn en voor elk wissewasje bellen.”

Je kreeg hoge koorts en niet de juiste hulp. Was je niet doodsbang?

“Nee, ik voelde me wel in de steek gelaten, maar ik kreeg vooral iets vastberadens. Ik wist precies wat er aan het gebeuren was. Dankzij mijn werk kon ik zelf de diagnose stellen; het zit in mijn bloed, het is een sepsis. Rond de 15 procent van de mensen die een bloedvergiftiging krijgen, overlijdt eraan. Het kan ook leiden tot een septische shock, waaraan nog ruim drie keer zoveel mensen overlijden. Als je het wel overleeft, loop je het risico op blijvende schade aan je organen. Dit gaat me niet gebeuren, dacht ik. De adrenaline liet me handelen.” 

Zijn dit soort fouten te voorkomen?

“Lastig. Bij mij ging er al veel mis, terwijl ik een enorme voorsprong heb qua kennis en mezelf de juiste zorg kon bezorgen. De gemiddelde patiënt kan dat niet of in ieder geval veel moeilijker. Dit soort problemen zal zich altijd blijven voordoen. Ziekenhuizen kunnen er wél voor zorgen dat de bezetting op orde is. Dat zo’n arts-assistent niet klem komt te zitten, zodra het drukker wordt. Dat heeft natuurlijk financiële consequenties. Er moet extra personeel worden ingezet. De kans dat dat gaat gebeuren, is niet heel groot. Ik word daar wel boos van hoor. We zijn in Nederland allemaal verzekerd voor goede zorg, dan moet er toch op z’n minst een arts beschikbaar zijn als je ernstig ziek bent!”

Je overleefde de sepsis, maar belandde vervolgens wel in een psychose door alles wat er mis was gegaan. Wanneer bereikte je de bodem?

“In de week voordat ik bij de crisisdienst terechtkwam, was ik ervan overtuigd dat mijn psychotherapeut me opdrachten gaf via de computer. Die kon ik niet negeren, dacht ik. Ik moest bijvoorbeeld om het kwartier gaan plassen. Ook ’s nachts. Dan kwam er natuurlijk niks, dus zette ik de kraan aan en bleef zitten. Hardop benoemde ik voorwerpen: ‘Dat is de wc-bril en dat is positief’, ‘Dat is het fonteintje en dat is positief’.

Mijn vrouw hoorde me praten en viste me elke keer weer van het toilet. Dat bestuurd worden op afstand is afschuwelijk, misschien wel het ergste wat me in die dagen overkwam.”

Je schrijft in je boek ook openhartig over de seksuele ontremming die je ervoer. Hoe is het om hier zo open over te zijn?

“Het is niet makkelijk om zulke dingen over jezelf te vertellen, maar door er openlijk over te praten en schrijven wil ik het taboe op psychiatrische ziekten helpen doorbreken. Ik wil laten zien wat er met je kan gebeuren als je een psychose krijgt en dat het iedereen kan overkomen. Ook al ben je ontwikkeld, heb je een goede baan en lieve mensen om je heen. En natuurlijk ook dat het goed kan aflopen.”

Hoe gaat het nu met je?

“Het gaat goed. Ik ben wel vergeetachtiger geworden; dat vind ik vervelend. Aan de andere kant geniet ik meer. Nadat ik hersteld was van mijn psychose, werd ik somber en ben ik op aanraden van mijn psychiater meer gaan sporten. Trainen in de sportschool, wandelen, meestal wel zo’n 40 tot 60 kilometer per week. Ook al loop ik vaak hetzelfde rondje, ik geniet meer van wat ik onderweg tegenkom. Hoever de waterlelies die dag zijn, bijvoorbeeld. Ik lig nu net als mijn vader zestig jaar geleden op mijn knieën planten te fotograferen, haha. In de coronaperiode heb ik hard gewerkt voor de NOS, maar ook op tijd rust genomen. Vakanties ingebouwd. Dat heb ik nodig om het vol te houden, net als dat ik echt elke nacht 7,5 á 8 uur moet slapen.

Al gun ik zo’n ervaring mijn ergste vijand niet, het is wel verrijkend geweest. Leerzaam ook. Ik ben onder andere anders aan gaan kijken tegen ‘gekte’ en ‘gekken’. Laatst ging ik met mijn vrouw de lege flessen wegbrengen en stond er bij de glasbak iemand een verhaal over Jezus te vertellen, overduidelijk flink in de war. Vroeger had ik dan snel mijn oordeel klaar gehad: een godsdienstwaanzinnige. Nu zei ik tegen mijn vrouw: ‘Misschien wel iemand die net als ik iets heftigs heeft meegemaakt en psychotisch is.’

Ik weet nu meer van psychische aandoeningen en de geestelijke gezondheidszorg dan voorheen. Ik besteed er vaker aandacht aan, zeker ook in mijn werk als redacteur gezondheidszorg.”

Je zet je sinds deze ervaring ook meer in voor een betere patiëntveiligheid en goede gezondheidszorg. Hoe?

“Door zo veel mogelijk ruchtbaarheid aan de inhoud van mijn boek Ik ben er weer te geven. Intern, bij de NOS, maar ook via Twitter, interviews, en hopelijk lezingen en congressen waar artsen samenkomen. Het voelt als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ik ben in de positie om bij te dragen, ik kan een boek schrijven, ik krijg het uitgegeven. Dit is mijn vorm van protesteren. Voor mezelf heeft het ook waarde, noem het zingeving. Zo is alles wat ik doorstaan heb niet voor niks geweest.”

Meer weten over klachten in de zorg? Kijk op www.plusonline.nl/klacht-indienen