Interview: schrijver/cabaretier Herman Finkers

Getty Images

Eigenlijk wilde hij schrijver worden, of fietsenmaker. Maar Herman Finkers werd per ongeluk cabaretier en is sinds kort ook filmacteur en scenarioschrijver. Zijn eerste speelfilm heet De Beentjes van Sint-Hildegard. “De wereld wordt steeds bizarder.”

'Vroeger woonde ik in Almelo, waar ik ben geboren en ­opgegroeid. Ik was de oudste van ons katholieke nest, met verder twee broers en twee zussen. Ik kom uit een arbeidersfamilie van textielwerkers. Mijn moeder Annie was huisvrouw en mijn vader Ben banketbakker. Mijn eerste herinnering is dat ik op de arm van mijn moeder de ­bakkerij binnen kwam waar mijn vader ­werkte. Daar rook het heerlijk, met al dat brood en gebak.

'Een voorbeeldig misdienaartje'

Ik had een gelukkige en onbezorgde jeugd. Almelo vond ik een fijne stad waar alles was: zwembaden, een ­bibliotheek, een muziekschool. Vooral dat laatste was belangrijk, want ik was gek op lezen en muziek maken. Bijna al mijn vriendjes voetbalden, maar ik zat het liefst met een boekje in een hoekje of achter de piano. Ik was een braaf, keurig en stil jongetje. Een voorbeeldig misdienaartje ook. Ik zou me kunnen voorstellen dat paters op mij vielen, maar in de kerk heb ik nooit last gehad van handtastelijkheden. Op school wel. Daar zat een getrouwde leraar weleens aan me. En als ik van de bieb naar huis fietste, moest ik altijd door ‘het homolaantje’, waar soms mannen naast me kwamen fietsen. ‘Niks zeggen en doorrijden!’ zei mijn moeder altijd. Dat vond ik zeer onprettig.

Een schrijver in een fietsenwinkel

Op de katholieke jongensschool kwam in het laatste schooljaar een pater uit Zenderen langs. Om te kijken of er jongens waren die geschikt zouden zijn voor het seminarie. Ik had best met hem mee gewild, omdat ik dan een gymnasiumopleiding zou krijgen. Maar mijn vader had inmiddels een meubelzaak en zag liever dat ik naar de hbs ging. Kon ik als oudste zoon later de boel overnemen. ‘Wat heb je aan Latijn en Grieks als je straks een meubelzaak hebt?’ zei hij.

Dus ik naar de hbs, maar de hoofdvakken daar waren boekhouden, handelsrekenen, economie en recht. Dat interesseerde me nou net helemaal niets. Ik wilde liever schrijver worden, of fietsenmaker. Of nog beter: schrijver ín een fietsenwinkel. Ik was gek op de geur van rubberen banden. Als ik heel hard snoof, werd ik een beetje high. Dat had ik ook met wierook, hoewel ik nooit een drugsgebruiker ben geworden, hoor!

Getty Images

Herman in Almelo, circa 8 jaar.

Het Delftse Cameretten Festival

Uiteindelijk werd ik cabaretier. Dat was nooit mijn droom, maar ik schreef gedichten waar mensen om moesten lachen. Een vriend meldde mij in 1979 aan bij het Delftse ­Cameretten Festival. Ik vond dat wel een leuke grap, optreden voor 1600 studenten. Ik was ook helemaal niet nerveus en begon mijn voorstelling nog met het uitdelen van folders van mijn vaders meubelzaak. Hij dacht: studenten gaan straks trouwen en dat zijn de beste klanten.

Uiteindelijk won ik de tweede juryprijs, de publieksprijs én de persoonlijkheidsprijs. Toen was het hek van de dam, want veel theaters houden een avond vrij voor de winnaar van Cameretten. Maar er was één probleem: ik moest in militaire dienst. Was mijn moment eindelijk daar, zat ik op de kazerne in Amersfoort. Omdat een jaar later mijn kans verkeken zou zijn, móést ik echt uit die dienst. Het ging daar ook erg slecht met mij en na twee weken kreeg ik S5: ‘geestelijk instabiel’. ­Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen het leger. Maar ik zou gewoon geen goede soldaat worden. Mijn ritmeester zag dat en heeft me laten gaan om te kunnen optreden.

Nergens in uitblinken

Mijn goede vriendin Brigitte ­Kaandorp en ik zeggen weleens tegen elkaar: wat raar dat wij beroemd zijn geworden. Zij is ooit afgewezen op de Kleinkunstacademie en ik heb niet eens geprobéérd om daar op te komen. Ik kon maar matig piano spelen en ook mijn dictie was niet best.

Eigenlijk blinken wij allebei nergens in uit, al kan zij wel heel goed zingen. Maar het leuke van kleinkunst en cabaret is dat je al je talentjes kunt combineren. Daarbij kun je met cabaret van je ­handicap je beroep maken. Het is niet erg als je niks kunt, als je het maar goed doet. En je moet vanuit jezelf vertrekken, geloofwaardig zijn. En dat past heel goed bij ons.

Een soort toegift

Nu gaat het naar omstandigheden goed met me. In 2002 werd bij mij chronische lymfatische leukemie ­geconstateerd, een type ­bloedkanker. Ik heb dat slechtnieuwsgesprek ­verwerkt in een conference: ‘Kanker, dokter? Wat raar, ik heb nooit kanker.’ 

Nu dus wel, hoewel ik niet mag klagen. Ik had allang dood ­moeten zijn, maar dat feest ging niet door. Die verrekte doktoren vinden steeds een nieuw ­medicijn uit. Dat is een enorm geluk, een geschenk waardoor ik een soort toegift heb gekregen. Alles is nu ­meegenomen en daar geniet ik erg van. Ik voel me ook verplicht te genieten en dankbaar te zijn. Ik heb mensen gekend die dezelfde ziekte hadden en toch zijn overleden. Niet bij iedereen slaat de medicatie aan, bij mij toevallig wel. Ik ben het die mensen verplicht om niet chagrijnig in een hoek te gaan zitten. Ik vind dat ik namens hen moet leven en genieten.

Getty Images

Eerste speelfilm

Theatertours zitten er voor mij niet meer in, nee. Van mijn show Na de pauze uit 2007 moesten vanwege mijn ziekte 46 voorstellingen worden afgelast. Dat wil ik nooit meer meemaken. Daarom geniet ik nu des te meer van nieuwe ervaringen. Zoals De Beentjes van Sint-Hildegard, mijn eerste speelfilm, waarin ik een hoofdrol speel en waarvoor ik het scenario heb geschreven. Een heerlijk ­project, omdat het zo verschilt van cabaret. Voor mijn shows ­bedacht ik bizarre grappen als: ‘Ik word wakker, doe een plas, sta op en ik denk: verrek, dat moest andersom.’ Of: ‘Ik zag twee agenten in burger. Ik wist dat ze in burger waren, want ze hadden geen uniform aan.’

Voor deze film heb ik alles uit de werkelijkheid kunnen plukken. Scènes uit mijn eigen huwelijk, verhalen van vrienden, gebeurtenissen van alledag... Het was fijn om niets te hoeven verzinnen. Aan het filmproces zelf heb ik ook veel plezier beleefd. Ik zat goed in mijn energie en de ­samenwerking met regisseur Johan Nijenhuis en mijn tegenspeler ­Johanna ter Steege was voortreffelijk.

De wereld wordt steeds bizarder

Ik sta erg dankbaar in het ­leven, maar ook nog steeds verwonderd en verbaasd. Want de wereld wordt wel steeds bizarder. Vroeger kabbelde ­alles volgens een saai patroon voort. En daar maakte ik dan grappen over. Maar nu is de wereld wel heel idioot aan het worden. Zo’n Donald Trump die verdacht wordt van seksuele intimidatie en vervolgens zegt: ‘Ik heb haar niet verkracht, zij is mijn type niet.’ Zo’n bizarre opmerking, daar kun je als komiek toch nooit meer overheen? Of een Thierry Baudet die de stikstofcrisis bagatelliseert door te zeggen: ‘In cola zit ook CO2 en dat is heus niet giftig ofzo, dus waar maken we ons druk om?’ Ik heb weleens het gevoel dat ik in ­andermans tijd leef. Dat alles niet meer zo overzichtelijk is als in de jaren tachtig en negentig waarin ik optrad.

De toekomst

Straks ga ik weer een reeks Missa’s in Mysterium inplannen. Dat zijn Latijns-gregoriaanse meezingmissen, die ik met vrouwenensemble Wishful Singing en pater Marc Loriaux organiseer. Bij deze ­missen worden mensen uitgenodigd het ritueel mee te beleven en de ­gezangen mee te ­zingen. Het concept is ontstaan uit een experiment. Ik heb altijd een grote behoefte gehad om naar de kerk te gaan, maar het was nooit precies wat ik zocht. Daarom wilde ik graag zelf eens een mis regisseren, in het Latijn en met gregoriaanse muziek.

Klaarblijkelijk hebben we met deze missa’s een snaar geraakt, want ze slaan erg aan. We hebben er nu zeven gedaan en elke keer zaten de kerken bomvol. En niet alleen gelovige mensen vinden het mooi, iedereen pikt er wat uit. We hebben het tegenwoordig allemaal over mindfulness. Nou, zo’n missa is heel meditatief. Het is eigenlijk één grote, lange meditatie. Ik vergelijk het ook weleens met een geestelijke sauna. De celebrant, de acolieten, de zangeressen, ikzelf, het publiek: iedereen die meedoet, wordt heel rustig van het ritueel.

Verder weet ik nog niet precies wat ik ga doen, ik laat alles maar een beetje organisch groeien... Maar ik vind het niet erg om het wat rustiger aan te doen. Kijk, in het begin was schrijven en optreden een enorme bevrijding. Maar als je bekend bent en succes hebt, wordt het ook een last. Dan zijn de kaartjes voor je volgende voorstelling al uitverkocht terwijl je je nieuwe programma nog moet schrijven. Dat brengt een immense druk met zich mee. Daar ben ik nu vanaf.

Getty Images

Vrije tijd

Mijn film De Beentjes van Sint-Hildegard gaat over een echtpaar aan de vooravond van hun oude dag. Ook mijn vrouw Hetty en ik bevinden ons op dat punt. Het lijkt me heerlijk straks niets te móéten. Gewoon ’s morgens koffie drinken, de krant ­lezen, pingelen op de piano, wat schrijven of een beetje ­fantaseren. Dan vliegt de dag om. Of we gaan leuke dingen doen. Naar een museum of lekker een eind fietsen. Ik woon in Beuningen, vlak bij de grens, en dan zit je zo in het Duitse Bad Bentheim. Een prachtig stadje met een groot kasteel op de rotsen.

Wij kunnen dit allemaal doen omdat we geen kinderen hebben met wie we rekening hoeven te houden. Daar hebben we bewust voor gekozen. Ik vond het als kind al moeilijk om met kinderen om te gaan, laat staan als volwassene. Dat geren en geschreeuw als vroeger de school uit ging, dat vond ik vreemd. Daarbij vind ik kinderen opvoeden een grote roeping, en die heb ik niet. Ik heb wel met kinderen gewerkt, op kleuterdag­verblijven in Emmen en Boekelo. Na zo’n dag was ik compleet uitgeput. Maar als ik ’s avonds moest optreden, knapte ik daar helemaal van op. En kwam ik blij en vol adrenaline weer thuis. Dus om nou zelf een gezin te stichten... In mijn voorstelling Na de pauze zei ik: ‘Ik vind één vrouw al een heel groot gezin.’

De dood

Of ik de dood vrees? Nee. Mijn einde en wat daarna komt, zie ik met groot vertrouwen tegemoet. Er is een geestige anekdote over schrijver en cabaretier Fons Jansen, die vlak voor hij stierf zei: ‘Het zal mij benieuwen.’ Dat vind ik een mooie instelling. Na de dood ben je sowieso van veel dingen verlost. Van de zwaartekracht, van je lijf met al zijn kwalen... Daarna zien we het wel. Want ik denk dat er na de dood wel een ander universum is. Ik kan me niet voorstellen dat dit leven de hoogste werkelijkheid is. Er moet nog wat achter zitten. Ja, daar ben ik wel benieuwd naar.”

Auteur