Taalvraag: hun of hen?

Taal… boeken vol zijn erover geschreven. Op tv scoren de spelprogramma’s over taal onverminderd hoog en online is de Taalquiz van PlusOnline een van de populairste rubrieken. De Taalvraag van PlusOnline beantwoordt – u raadt het al – vragen over taal.

In de Taalvraag behandelt PlusOnline steeds één taalkwestie. Soms grappig, soms irritant, soms onnavolgbaar en soms totaal logisch – taal heeft het namelijk allemaal in zich.

Hen na een voorzetsel

‘Hun hebben gescoord…’ is al een flinke instinker, maar wat te denken van ‘volgens hun heeft hij gelijk…’ – of is het ‘volgens hen heeft hij gelijk’?
In deze zin is hen correct. Dat komt door het woord ‘volgens’: na een voorzetsel volgt altijd het woord ‘hen’. Andere voorbeelden van deze regel:

Ik wacht nog hooguit vijf minuten op hen
Het gaat bijzonder goed met hen
Dit cadeautje was eigenlijk voor hen bedoeld

(En voor wie even kwijt is wat voorzetsels ook alweer waren, hier een aantal voorbeelden: voor, achter, naast, in, op, door, over, uit, boven, onder, om, tegen, aan, binnen, buiten, langs, tijdens, sinds, bij, tot, zonder, met, behalve, naar, na, via, per, te, tegen, volgens, benevens, vanwege, richting, rondom, et cetera, et cetera…)

Hen als lijdend voorwerp

Nog een vaste regel: als u verwijst naar een lijdend voorwerp, gebruikt u ook hen. Voorbeelden hiervan zijn:

Ik kijk hen aan
Hij gaat hen bezoeken
De schooljeugd valt hen steeds weer lastig

Voor deze regel bestaat een handig ezelsbruggetje. Als u de zin lijdend maakt, moet ‘hen’ in ‘zij’ veranderen. Is dat het geval, dan zit u goed:

Ik kijk hen aan – Zij worden door mij aangekeken…
Hij gaat hen bezoeken – Zij worden door hem bezocht…
De schooljeugd valt hen steeds weer lastig – Zij worden door de schooljeugd steeds weer lastiggevallen…

Hun… de basisregels

Het woord ‘hun’ is juist als het gaat om een meewerkend voorwerp. Maar help, wat is een meewerkend voorwerp ook alweer? Een meewerkend voorwerp is een persoon of een ding waar het woord aan, voor, volgens of bij voor staat, of waar je een van deze woorden voor kunt denken. Twee voorbeelden:

Ik heb cadeautjes voor mijn neefjes meegenomen
Ik heb cadeautjes voor hun meegenomen

Hij geeft zijn leerlingen een uitbrander
Hij geeft (aan) zijn leerlingen een uitbrander
Hij geeft hun een uitbrander

Hun of hen, of toch…?

Op Onze Taal vindt u een lange lijst werkwoorden en uitdrukkingen die met hun of hen samengaan. In deze lijst staan talloze werkwoorden waarbij menigeen twijfelt: is het hun, of moet het toch hen zijn?

Hen: lekker chique

Gelukkig wordt deze hen/hun-soep tegenwoordig niet meer zo heet gegeten als hij wordt opgediend. In de praktijk gebruiken we beide vormen steeds vaker door elkaar. Dat geldt inmiddels zelfs voor de geschreven taal. Dat het onderscheid vervaagt, is eigenlijk best logisch: de regels zijn behoorlijk ingewikkeld. Daar komt bij dat veel mensen hen toch net iets chiquer vinden, vandaar dat taalkundigen adviseren bij twijfel voor hen te kiezen.

Ze: lekker informeel

En weet u het echt niet meer? Niet getreurd: het woord ze is namelijk ook juist:

De kleindochter gaat bij hen op bezoek
De kleindochter gaat bij ze op bezoek
Ik geef hun een koekje
Ik geef ze een koekje

Het is wat informeler, maar iedereen snapt wat u bedoelt!

Bronnen:
Taalunie
Onze Taal