Santiago, een bedevaartsoord voor heel Europa

Ten laatste na de bouw van de eerste Sint Jacobskerk in Compostela door de Asturische koning Alfons II begon een almaar sterker wordende toestroom van verlossing zoekende pelgrims.

Uitstraling over heel Europa

Eerst waren het bedevaarders uit de omgeving die naar Sant ‘Iago trokken, dan uit heel Noord-Spanje en rond de 10de eeuw bereikte de faam van het wonderbaarlijke apostelgraf ook de landen aan de andere kant van de Pyreneeën. De pelgrimstocht van de Franse bisschop Godescalc van Le Puy-en-Velay in 951 was een mijlpaal in de geschiedenis van Santiago de Compostela. Le Puy werd dan ook één van de voornaamste vertrekplaatsen op de grote toegangswegen naar de passen over de Pyreneeën.

Deze hoofdwegen en hun verdere verloop door Noord-Spanje worden gedetailleerd beschreven in vierde boek van het ‘Boek van Sint Jacobus’ dat door de monnik en pelgrim Aimeri Picaud tussen 1140 en 1160 zou zijn samengesteld. Uit deze teksten blijkt dat de bedevaart naar Compostela een massabeweging was geworden die zich in het hele Westen had verspreid. De dreiging van Moorse plunderende legers was toen al lang voorbij, maar toch trokken nog Franse en andere West-Europese ridders op kruistocht naar Spanje, met grote groepen pelgrims in hun gevolg.

Het apostelgraf zelf trok ook voorname persoonlijkheden aan. In 1125 trok Mathilde, de weduwe van keizer Hendrik V over de Pyreneeën naar Compostela. In 1154 volgde de Franse koning Lodewijk VII en ook gravin Sophia van Holland bezocht de plaats, in 1176. Pelgrims uit Engeland, West-Frankrijk, de Nederlanden of Scandinavië reisden ook wel over zee tot aan La Coruña, een route die langs de door alle zeemannen gevreesde Golf van Biskaje voerde. Een plek aan boord moest echter duur betaald worden, zodat veruit de meeste pelgrims voor de weg over land kozen.

Weldra ontstond langs deze weg de nodige infrastructuur, van bruggen en [[image file="2012-01/sp170.jpg" align="right" ]]veerponten tot herbergen en pensions. Al in de oudste bedevaartverslagen wordt de kwalijke faam van een aantal daarvan aan de kaak gesteld. Verhalen over achterbakse herbergiers en hun vermeende triomf en verdiende straf, vormen een groot deel van de Jakobslegenden die de macht van de apostel moeten bewijzen.

De helpende hand van Jacobus was echter niet alleen merkbaar in de vorm van wonderbaarlijke genezingen of het verschaffen van gerechtigheid. De heilige kwam ook van pas in de snel groeiende handel in aflaten die door de kerk werd bevorderd. Deze was gebaseerd op het geloof dat een christen door het stellen van goede daden en vrome handelingen de straf voor zijn zonden in het hiernamaals kon verminderen. De moeilijke bedevaart naar Santiago was zo’n vrome handeling en werd dan ook door de aartsbisschop van de stad met de belofte van de nodige aflaten gepropageerd. Een belangrijke datum in deze handel
met aflaten was het jaar 1300 dat door paus Bonifatius VIII tot ‘heilig jaar’ werd uitgeroepen.

Elke pelgrim die tijdens dat jaar naar Rome kwam, kreeg een algemene aflaat. Deze meesterzet van de paus werd een enorm succes en bracht ook Santiago op ideeën. Elk jaar waarin 25 juli, de feestdag van Sint Jacobus, op een zondag viel, werd uitgeroepen tot ‘Heilig (Jacobus) jaar’, een traditie die tot op vandaag voortduurt. En uiteraard werden de bedevaarders in zo’n jaar beloond met een algemene aflaat. Het aantal bedevaarders bleef daardoor groeien en ze kwamen van steeds verder. Vertrekkend van de hoofdwegen in Noord- Spanje en Zuid-Frankrijk ontwikkelde zich tijdens de Middeleeuwen een spinnenweb van ‘Jakobswegen’ dat uiteindelijk heel Europa omvatte.

Vele wegen leiden naar Santiago

Nog steeds getuigen aan Jacobus gewijde kerken en kapellen van de grote betekenis van de middeleeuwse bedevaartbeweging en ook in onze taal zijn daarvan sporen terug te vinden. We spreken immers nog altijd van een jakobsschelp en een jakobsstaf en velen zoeken nog naar de ‘ware Jakob’, die alleen de echte pelgrim naar Santiago kan vinden.

Trefwoorden:

Reactie toevoegen