De ultieme kustwandeling: Isle of Wight

Ooit aangevallen en veroverd door Vikingen, nu een geliefde vakantiebestemming voor fietsers en wandelaars: Isle of Wight. Met meer zonnedagen dan het Britse vasteland.

Een prachtig koor. Hoeveel zijn het er? Zestig? Tachtig? Honderd? Allemaal in het wit. Jong en oud. Schapen! Lammeren!
Ter dood veroordeeld, dat weet ik van de boer van de Westcourt Farm in het idyllisch gelegen dorpje Shorwell, waar ik de nacht had doorgebracht. Meer dan honderd schapen. “Allemaal voor de slacht”, had hij me onsentimenteel medegedeeld. Ik vertelde hem dat ik uit een koeienstreek kom, waar alle koeien namen hebben en de boer het karakter van iedere koe kent. Deze boer had daar niks mee.

De kudde graast en blaat, naar het schijnt met groot plezier in dit korte leven. Gras plukken, kauwen, herkauwen, blaten, keutelen. Zich er niet van bewust dat ze heel binnenkort een prominente plaats innemen op het menu van de Crow Inn, de Red Lion, de Sun Inn, de Wight Mouse Inn of hoe al die kroegen op Isle of Wight ook mogen heten.

Blinkende jachten

Ik ben op de fiets. Of beter náást de fiets, want ik duw het rijwiel puffend en blazend de groene heuvel op over de Tennyson Trail, genoemd naar de dichter Alfred Lord Tennyson. Het zicht is op een baai en de donkerblauwe zee. Eigenlijk is dit een voetpad. Maar ik vind fietsen over de smalle kronkelwegen van Wight, waar hoge heggen voor gevaarlijke onoverzichtelijkheid zorgen, een beetje te link. De wandelaars die me tegenkomen, groeten vriendelijk, dus die vinden dat oké. Het pad loopt door een golfterrein en hier krijg ik wel verontwaardigde blikken toegeworpen. Zijn de dames en heren van gegoede huize soms bang dat ik het gras platfiets?

Ik daal af naar het dorp Freshwater en volg een pad langs de moerassige inham van de West Yar. Het is stil, ook op het water. Ik ga ergens op een bankje zitten en dan zie ik reigers, eenden van een voor mij onbekend merk, oestervangers, én – welk onverwacht geluk – een roodblauwe kingfisher (ijsvogel).

Waar de Yar de zee bereikt, ligt Yarmouth, het oudste stadje op het eiland, met wortels in de tijd van de Vikingen. Waar ooit de primitieve maar o zo zeewaardige Vikingenschepen lagen, dobberen nu de in het felle zonlicht blinkende jachten. Hun bezitters zijn geen ruige baardige veroveraars; ze zitten aan dek of op een terrasje in de schaduw van een 16de-eeuws fort. Met een pint in de hand.

Cottages met rieten hoedjes

Bij The Old Battery, een verdedigingsbouwwerk op de top van een hoge klif, heb ik voor het eerst een goed zicht op de meest markante plek van Wight, The Needles. Uit het water stekende witte rotsen geflankeerd door een roodwitte vuurtoren. Opnieuw duw ik de fiets een heuvel op, de West High Down, en rust dan lang uit bij een hoog stenen kruis. Ik zie Freshwater Bay en de steil oprijzende witte kliffen langs de kust.

Hier en daar is de rotskust opengebarsten en aangevreten. Canyons, nauwe inhammen, grotten, kieren, spleten. Ideale schuilplaatsen voor piraten en smokkelaars. Ja, free trade was altijd een belangrijke, zo niet de belangrijkste bron van inkomsten voor de eilanders. Zowat iedereen, van hoog tot laag, de clerus niet uitgezonderd, deed eraan mee. Brandy, thee, tabak, zijde. Schermutselingen tussen de smokkelaars en de hoeders van de wet waren geen uitzonderingen.

Terug in Freshwater volg ik nu de Military Road, die helemaal rond het eiland loopt en in het zuiden van het eiland nooit ver weg is van de steile kliffen. Ik bezoek Brightstone (de caulkheads – zoals de oorspronkelijke eilanders genoemd worden – spreken het uit als Brixton), een prachtig gehucht met cottages met rieten hoedjes en een kerkje uit de 12de eeuw.

’s Avonds in de Crown Inn van Shorwell tref ik Richard, tuinman, en Lydia, dichteres. Hij vertelt van de mooie tuinen van het eiland en hoe hij ze nog mooier wil maken. Zij vertelt van goed in de tijd zittende gedetineerden in de
eilandgevangenis, aan wie zij lessen creatief schrijven geeft. Daar drinken we een paar pints bij, dat maakt de tongen altijd losser, de ideeën rijker, de avond gezelliger.

Nikkelen Nelis

Mijn tweede dag. Vandaag ga ik lopen van Carisbrooke Castle naar de kust. Voordat de bus naar het beroemdste kasteel van het eiland komt, krijg ik een lift van Bad Named Bob. “Hoe chaat it?” vraagt hij. “Ik ben Nikkelen
Nelis”, lacht hij. Vijf jaar lang heeft hij als eenmansorkest door Rotterdam en Maastricht gezworven. Daarna keerde hij terug naar zijn geboorte-eiland. “Ze hebben me hier gepakt”, gniffelt hij, terwijl hij door de bochten scheurt in zijn vrachtwagentje.
“Te hard getrommeld en getoeterd?”, vraag ik.
“Ha ha. Cannabis. Ik had een leuke farm hier. Vonden de buren niet zo leuk. Eén jaar de bak in, ha ha.”
“Nog een beetje schrijven geleerd?”, vraag ik. Maar voor ik een creatief antwoord heb, sta ik al onderaan het kasteel dat hoog uittorent boven Newport en dat óók een bekende gevangene heeft gekend. Charles de Eerste, koning van Engeland, Schotland en Ierland van 1615 tot 1649, zat er voor zijn executie meer dan een jaar op een houtje te bijten. Het kasteel is altijd een bolwerk van intriges, macht en tragedies geweest. De eilanders zeiden vroeger: “Wie het kasteel van Carisbrooke beheerst, controleert het eiland.”

Ik loop over de hoge muur van grijze steen, kijk naar de golvende groene heuvels en, beneden me, naar schoolkinderen die braaf opschrijven wat een middeleeuws verklede meneer hen vertelt. Vanaf het kasteel lopen enkele wandelpaden, zoals de Tennyson Trail. Ik volg een andere route. Smalle wegen verborgen achter hoge heggen. Langs schapen, koeien, solitaire boerderijen, een paar cottages omgeven door rozenstruiken. Weg wordt soms smal pad, pad wordt weer weg en wordt weer pad. Op en neer. Tot een van mijn knieën niet meer wil en ik de bus wil nemen. Maar ik krijg opnieuw een lift, van Henk de bloemenman uit Aalsmeer, getrouwd met een Wightse en verliefd op het eiland. Hij brengt me naar Ventnor, het steilste stadje van het eiland, waar zigzagstraten de kliffen verbinden met het strand.

Ik loop over het prachtige kustpad, tussen het struikgewas, onder de bomen, soms met zicht op witte rotskusten en de zee. In de namiddag bereik ik moe en bezweet een droom van een B&B, de Rylstone Manor, verscholen in een tuin vol bloeiende rododendrons, op een platte klif boven een zandstrand en vlakbij de Shanklin Chine, een dichtbegroeide canyon. Een plek om nooit meer weg te gaan, in de tuin te zitten, naar de rossige eekhoorntjes te kijken die capriolen maken in het geboomte.

Gezang van het schapenkoor

Maar de pub roept. Want die avond is er een heel belangrijke voetbalwedstrijd, met een Engels team op jacht naar een prijs. En waar kun je dat beter zien dan in de Townhouse Bar in Shanklin. Een pub die ik de kroeg van de getatoeëerde onderarmen noem, met twee grote schermen, vijf gewone tv’s, een grote menigte bierdrinkende mannen in te krappe clubshirts die schreeuwen, zingen, joelen, vloeken, en na afloop heel erg bedroefd zijn.

Die droefheid deel ik niet. Het is een ander soort droefheid als ik twee dagen later het eiland verlaat. Ik was namelijk graag gebleven. Ik had die kustwandeling helemaal willen voltooien, ik had meer pubs willen bezoeken, meer honing willen proeven op de boerenmarkt, langer in boekwinkels willen snuffelen. En vooral: langer willen zitten in het gras ergens op de Tennyson Downs, met zicht op de steile witte kliffen en het gezang van het schapenkoor in mijn oren. Wight is mooi!

Bron(nen):
  • Plus Magazine