Ik herinner mij... de treinramp bij Harmelen

Op maandag 8 januari 1962 vond bij het Utrechtse dorpje Harmelen de grootste treinramp plaats uit de Nederlandse geschiedenis. Wij vroegen de Pluslezers om hun persoonlijke ervaringen bij deze gebeurtenis met ons te delen. Naast de verhalen in het blad, vindt u hier nog meer herinneringen van onze lezers.

De treinramp bij Harmelen vond plaats op maandag 8 januari 1962 om 9.19 uur nabij het Utrechtse dorpje Harmelen gelegen aan de spoorlijn Utrecht - Rotterdam. Bij de botsing tussen twee reizigerstreinen vielen 93 doden en 52 gewonden, waarmee dit de grootste treinramp uit de geschiedenis van de Nederlandse Spoorwegen is.

Enkele Pluslezers stuurden ons hun persoonlijke ervaringen. Hier vindt u nog vier korte verhalen over de gebeurtenissen op die tragische dag.

''Wij, Willy en ik, namen al enige tijd dezelfde trein en om dezelfde tijd van Utrecht naar Rotterdam. Na verloop van tijd spraken we af om in dezelfde coupé te reizen. In de kerstvakantie hadden wij allebei vrij en spraken af de laatste avond van de vakantie naar de bioscoop in Utrecht te gaan. Dat was zondagavond 7 januari. Wij zijn naar de film geweest, maar welke? Na afloop heb ik haar naar huis gebracht. De volgende morgen zouden we elkaar niet in de trein treffen omdat zij na de kerstvakantie wat later kon beginnen. Om de gewone tijd heb de trein naar Rotterdam genomen en Willy zou een trein later nemen. Tot dan verliep alles normaal. In de loop van de ochtend echter, hoorde ik op mijn werk dat er een treinongeluk had plaatsgevonden in Harmelen. Even duurde het voor ik, na informeren en concluderen, besefte ik dat het trein moest zijn geweest waarin Willy zat.

Waar begin je op zo’n moment met het zoeken naar zekerheid? Haar ouders bellen?

Zij had mij verteld dat haar moeder was overleden en dat zij thuis samen met haar vader en broer was. Ik had nog geen kennis gemaakt met haar vader en na lang overwegen en ten einde raad besloot ik hem toch te bellen. Je kunt je voorstellen dat deze man behoorlijk aangeslagen was en hij bevestigde dat Willy inderdaad die dag die trein had genomen. Eigenlijk wachtte hij op een telefoontje van haar dat alles in orde was en dat ze gauw mogelijk naar huis zou komen. Op mijn vraag of hij het op prijs zou stellen dat ik naar hem toe zou komen, zei hij dat het goed was. De reis van Rotterdam naar Utrecht duurde oneindig lang en iedereen in de trein was bezig met het gebeurde eerder die ochtend, maar niemand wist precies hoe ernstig de situatie was en of er doden of gewonden waren.

Deze treinreis en de weg naar het huis van Willy was zo verwarrend en ik belde met lood in de schoenen aan. Haar vader had nog steeds geen verdere informatie, maar hij was er eigenlijk nog steeds van overtuigd dat zijn dochter vroeg of laat wel contact zou opnemen. Ik ben de rest van de dag bij de vader van Willy en haar broer(tje) gebleven. Die hele middag zijn we gaan bellen naar allerlei instanties om wat meer informatie te krijgen en intussen maar wachten op enig bericht. Ik zal nooit vergeten hoe erg dat was voor deze man, die zijn vrouw ook al verloren had.

Later gingen we bij allerlei ziekenhuizen navraag doen over de opgenomen slachtoffers, maar zekerheid kwam er maar niet. Pas laat in de avond kwam het verschrikkelijke bericht dat Willy in een van de laatst onderzochte wagons was gevonden en zij niet meer in leven was.

Dan komt het verschrikkelijke moment dat de vader zijn dochter moet identificeren. Het enige waar hij dit aan kon doen was een stuk van de jas, die Willy die ochtend aanhad.

Omdat ik uiteindelijk geen familie was en pas heel kort met de vader contact had, heb ik weinig van de rest van het verloop daadwerkelijk meegemaakt, maar thuis heb ik een verschrikkelijke tijd gehad. Veel mensen om je heen probeerden me te troosten. Ik was 23 jaar en had eigenlijk in mijn omgeving nog niemand verloren. Op dat moment was het voor mij onbegrijpelijk dat je van iemand, zo jong en zo lief, de ene avond afscheid neemt en dat zo’n iemand definitief uit leven is verdwenen.

In de dagen die volgden leefde ik in een soort roes, nauwelijks beseffend wat er om mij heen gebeurde. Maar één ding is in mijn geheugen gegrift: het bezoek aan de Buurkerk in Utrecht, waar alle kisten met de stoffelijk overschotten in, in mijn ogen eindeloze rijen, waren opgesteld. Zoveel verdriet en zo veel vragen; waarom dit, waarom zij en waarom precies om dat moment.

Intussen ging mijn leven verder alsof er voor mij niets was gebeurd. Ik ben gelukkig getrouwd, heb kinderen en kleinkinderen, maar ik ben blij dat ik nog kleine aandenken heb aan Willy, in de vorm van haar geboortekaartje en enkele foto’s, die ik van haar vader kreeg. Ofschoon we niet samen hebben verder geleefd, was en blijft ze toch nog steeds een stukje van mijn leven.''

Een vriendje

Door H. Jansen

“HARMELEN 8 januari 1962”

In die tijd was ik sergeant-machinist bij de Vaartuigendienst in Dordrecht. We lagen met ons schip in Papendrecht in de pontonniershaven. Ik was met weekendverlof geweest in Urk. We waren in 1959 getrouwd en mijn vrouw was zwanger van onze tweede dochter.

Ik was vroeg opgestaan, we moesten op tijd varen. We zaten in de restauratiewagon van de trein naar Rotterdam. We dronken samen met een aantal andere reizigers (werknemers/schippers  van de Shell??) een bakje koffie, toen de aanrijding plaatsvond. Een harde klap, we werden heen en weer gesmeten, veel herrie, en toen werd het stil…

De stilte duurde even, toen begon het, sommigen probeerden op te staan gewond of niet, en anderen bleven zitten, sommige mensen was direct aan te zien dat zij er erg slecht aan toe waren. Mensen zaten beklemd tussen het tafelblad en de stoel, of onder delen van de treinwagon. De trein stond schuin omhoog, later bleek dat we met de coupe tegen een andere trein opstonden. We waren bang dat overal stroom op zou staan. Je wist niet wie en hoe je helpen moest op dat moment. Vanuit de coupe zagen we een gebouwtje naast het spoor in brand staan.

Zelf ben ik naar beneden geklauterd samen met een aantal andere mensen. We liepen tussen de gewonden en de lijken, maar we hadden niets om mee te helpen. Meerdere militairen die in de trein gezeten hadden kwamen bij elkaar, en verzamelden zich bij een luitenant.

We wilden helpen maar we hadden niets, geen verband, geen  brandblussers, geen bijl, geen tilgereedschap, gewoon niets. Er lagen mensen onder de trein, en achter de ramen, sommigen leefden en anderen waren reeds dood. Veel geschreeuw en gegil…….. Mensen welke bekneld zaten, werden geprobeerd los te trekken maar stierven vervolgens alsnog…  Alles knetterde alsof er stroom op stond. Je durfde niets op te pakken of aan te raken. Als je bij mensen staat die bekneld liggen onder zwaar materieel, en je kunt niets doen, dan sta je machteloos, ja machteloos, dat blijft je je leven lang bij. Daar heb ik de dood gezien…

Later kwam er hulp. Achter de trein liep een weg. Er stopten auto’s, waaronder een busje met plastic spullen. De chauffeur gooide zijn busje leeg in de berm, om mensen in te kunnen laden. Maar wat moet je met zoveel leed tegelijkertijd, je hebt geen hulpmiddelen of verband…. En wat ons zelf betreft, we waren de kluts volledig kwijt. Tegenwoordig zijn er mooie medische termen voor, maar we liepen daar rond als een kip zonder kop… We wilden helpen, maar we kwamen niet verder dan sigaretten draaien voor de gewonden...

Ik ben toen zelf buitenwesten geraakt en het eerst volgende wat ik weer weet, was dat ik in een school in Bodegraven of Alphen aan de Rijn was. Artsen onderzochten mij op verwondingen. Nadat ik goed bijgekomen was en bleek dat ik niets gebroken had, wilde ik heel graag naar huis… Waarom?, omdat mijn vrouw in verwachting was van ons tweede kind, en zij wist in welke trein ik zou zitten op weg naar Rotterdam die ochtend. En in die tijd was het nog geen kwestie van even bellen naar huis dat je ongedeerd was.

Die middag hebben ze me naar Utrecht Centraal gebracht, en ja, toen moest ik weer in de trein, helemaal achterin ben ik gaan zitten. Met de stoptrein onderweg naar Zwolle ben ik ook weer buitenwesten geraakt. Een conducteur heeft mij op het station van Zwolle naar het Kamper treintje geholpen. Ik kon zelf niet mee, zo stijf was ik geworden. Toen ik vervolgens met de bus op Urk aankwam, was ik volledig op en kapot, maar dan ook helemaal.

Toen ik mijn vrouw weerzag en mijn kleine meid van 1,5 jaar, heb ik gehuild. Ik had de dood gezien, om mij heen in de trein en buiten de trein. Het staat nog in mijn verstand gebrand. Als ik iets bijzonders zie of meemaak, bijvoorbeeld een aanrijding, zie ik alles weer terug van die maandagmorgen 9 januari.

Twee jaar heb ik nog gevaren in Dordrecht, iedere week dat zelfde stuk weer met de trein, en iedere week weer de herinneringen en start de film opnieuw. In 1964 ben ik op eigen verzoek overgeplaatst naar de Genie in Wezep.  Toen hoefde ik niet meer met de trein te reizen, maar kon ik reizen met de auto.

Wat er van de andere mensen in de restauratie is geworden, zou ik nog weleens willen weten. De ober die bij een kolenfornuis water aan het koken was, een baby ingepakt in een witte jas of vacht?? We hebben ze naar beneden geholpen, maar daarna weet je niet meer hoe het ze verder vergaan is.

Tegenwoordig kun je misschien trauma’s leren verwerken, maar deze ramp zit voor vele betrokkenen nog onder een dunne laag. De indrukken en de beelden raak je niet meer kwijt. Je kunt alleen dagelijks verwonderd staan en ervaren dat je door God gespaard bent. Ik ben nu bijna 78 jaar, en als ik mijn vrouw zie, en onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, dan kun je zien wat een mens is, maar bovenal wie God is. En dat we mogen leven voor Hem en tot Hem.

“Soli Deo Gloria”

Door H. Taal

''Zelf heb ik niet in de ramptrein gezeten. Ik was er in Rotterdam uitgehaald door de militaire politie. Mijn belevenissen van die dag geef ik u hierbij.
 
Ik was gelegerd in de kazerne in Steenwijkerwold bij het korps Artillerie in de rang van wachtmeester. Op de bewuste maandagmorgen reisden wij naar onze kazerne zoals wij al bijna een jaar deden. In Rotterdam centraal aangekomen, met de burgertrein, was de sport de Militaire Politie te ontlopen. Er ging namelijk een speciale trein voor de militairen. Het lukte ons niet en onder bewaking werden we uit de trein gehaald en naar de militaire trein gestuurd. De trein waar we werden uitgehaald was, zoals later bleek, de ramptrein.
 
De militaire trein bleef lang staan maar al met al was het een vrolijke boel. Ineens werd er gefloten en de trein vertrok alleen niet richting Utrecht maar naar Den Haag. Dit gaf de militairen aanleiding tot gejuich en gezang. Dit ging door totdat we in Den Haag stopten. We werden daar aangesproken door personeel van de NS die ons uitfoeterden en toeriepen: ''Schamen jullie je niet na wat er gebeurd was!'' We wisten nog niets. Mobiele telefoons waren nog niet uitgevonden.
 
Het werd doodstil in de coupes waar de beambten geweest waren en de stemming sloeg om. Iedereen realiseerde zich aan welk gevaar we waren ontsnapt. De reis naar station Steenwijk duurde lang voor mijn gevoel arriveerden wij om 21.00 uur in de kazerne.
 
Mijn verloofde, nu mijn echtgenote, ouders en familie wisten allemaal hoe wij reisden en waren bang dat wij in de burgertrein zaten. Het aantal doden ging per uur omhoog. Volgens mijn vrouw heb ik kans gezien op een tussenstation te bellen naar een vlak bij ons wonende kruidenier. Niemand in onze kring had toen telefoon.

De ramp bij Harmelen heeft lang in onze belevenis meegespeeld.
 
Door B. Vermeulen

Wie herinnert zich die treinramp niet, en vooral als je er zoals wij bij betrokken bent geweest?

Wij waren 50 jaar geleden Nico van Leeuwen en Joke Blok en hadden verkering. Nico zat in dienst in Nunspeet bij de geneeskundige troepen. Hij kwam aan bij het station in Woerden om na zijn nieuwjaarsverlof weer naar de kazerne te gaan. Voor het stationsgebouw werd hij opgevangen omdat er een treinongeluk was gebeurd. Hij werd met andere militairen naar de rampplek gebracht om te gaan helpen. Wat hij zich nu van de eerste minuten vooral herinnert is het roepen en schreeuwen van angstige mensen die daar rondliepen, gewond waren, naar medepassagiers zochten of totaal de kluts kwijt waren.

Er moest hulp geboden worden: proberen zwaar gewonden van de rampplek te krijgen zodat ze naar ziekenauto’s konden worden gebracht die in grote getale aan kwamen rijden. Er moesten mensen worden bevrijd die klem zaten tussen de brokstukken van de trein, veelal zwaar gewond of erger. De overledenen werden op brancards gelegd, met een deken afgedekt en langs de kant gezet: de rij werd steeds langer...

De helpers deden wat ze konden en voor rusten was geen tijd. Terwijl ze daar bezig waren kwam er in de loop van tijd het Leger des Heils die de helpers brood tussen de tanden stopten en koffie aanboden, iets wat erg gewaardeerd werd. Toen de meeste overlevenden weggebracht waren kwam er eigenlijk een akelige stilte. De brokstukken van de trein werden met  kranen uit elkaar getrokken en wat daar dan onder vandaan kwam was natuurlijk met geen pen te beschrijven. Ledematen van mensen moesten nauwkeurig in zakken worden gedaan om identificatie mogelijk te maken. Al met al een traumatische dag voor Nico.
 
Joke werkte als medisch analiste in het ziekenhuis Ope Dei in Woerden. Daar werden in de loop van de ochtend lichtgewonden met bussen en zwaargewonden met ziekenauto’s binnen gebracht. De meeste zwaargewonden moesten naar de operatiekamer om behandeld te worden en er moesten natuurlijk zakken bloed aan te pas komen. Onze taak was de patiënten bloed af te gaan nemen om de bloedgroep te bepalen en dan natuurlijk donoren op te roepen en af te nemen.

Dat ging de gehele dag door. Sommige donoren kwamen spontaan naar het ziekenhuis of ze bloed konden geven. Het moeilijkste moment was natuurlijk de eerste aanblik van de patient die zojuist was aangekomen met de meest afschuwelijke verwondingen en die je dan meteen moet gaan prikken om geen tijd verloren te laten gaan. Als er dan toch weer iemand overleden bleek te zijn is dat zwaar slikken. Er was een collega die dat echt niet meer op kon brengen en afhaakte. Tot diep in de nacht hebben we doorgewerkt, pas tegen de ochtend even een bed gezien.
 
We hebben allebei ervaren dat je zolang je bezig bent van alles aan kan, later komen de beelden nog wel vaak terug. Nazorg zoals er tegenwoordig is was er toen niet; met de mensen waarmee je gewerkt hebt praat je er natuurlijk eerst wel over maar dan gaat het leven weer door.
 
Nico is die avond laat naar het station in Utrecht gebracht om nog door te reizen naar de kazerne in Nunspeet. De volgende dag was er een oefening op de hei met “nepgewonden” en toen is hij daar weggelopen, dat kon hij echt niet op dat moment. De legerleiding had daar alle begrip voor dus hij kreeg geen straf. Hij kon zijn bebloede kleding in gaan leveren en nieuwe ophalen. Einde oefening!
 
Door Nico en Joke van Leeuwen-Blok