Samen voor je ouders zorgen

Natuurlijk help je je ouders als zij hulpbehoevend worden. En dat doe je het liefst samen met je broers en zussen. Maar hoe regel je dat prettig, zodat iedereen zich happy voelt?

Zelf ben je 50 of 60, je ouders zijn al in de 80 of nog ouder. Een zegen, maar het betekent ook dat we massaal meemaken hoe onze ­ouders hulpbehoevend worden. Het blijkt ook uit de cijfers. Nederlanders worden steeds ouder en blijven langer zelfstandig wonen. Als de laatste levensjaren gepaard gaan met ziekten en lichamelijke beperkingen, hebben ze wel hulp nodig. Vaak zijn het hun volwassen kinderen die dan bijspringen. Zij willen de handen best uit de mouwen steken, maar hebben ook kinderen, banen of andere verplichtingen. En dan? Met een beetje mazzel heb je broers en zussen met wie je de taken kunt verdelen.

Shopbroer en uitstapjeszus

Gelukkig hebben de meesten van ons een goede verstandhouding met hun broers en zussen. Elly Rijnbeek beschrijft in haar boek ‘Dun ijs’ hoe zij samen met haar acht broers en zussen voor hun ouders gaat zorgen. Ze moeten ingrijpen als hun 86-jarige moeder de zorg voor hun dementerende vader niet meer aankan. Vanaf dat moment staan de familieverhoudingen op scherp. Hoe verdeel je de taken met z’n negenen? Hoe kun je het best samen knopen doorhakken? Op welk moment kun je ingrijpen in het leven van je ouders? En wat doe je met gevoelens van schuld, verdriet en onmacht?

Ze maken een rooster, sturen elkaar dagelijks e-mails en spreken een taakverdeling af. Er is een boodschappenbroer, een broer die de financiën bewaakt, een zus voor de uitstapjes, een zus voor de schoonmaak en een zus voor de contacten met de dagopvang en de medische instanties. Niemand van de broers of zussen onttrekt zich aan de taken. Integendeel: ze prijzen zich gelukkig dat ze met elkaar zo’n groot team vormen en samen de taken kunnen verdelen.

Oude ruzies

Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn. Af en toe krijgen ze het met elkaar aan de stok, vooral wanneer oude, ­ingesleten rolpatronen de kop opsteken. Zo geeft de oudste zus (net als vroeger) de anderen soms op hun kop als zij het in haar ogen niet goed doen. En daar heeft de rest (ook weer net als vroeger) dan weer moeite mee.
Elly Rijnbeek in haar boek: “Zolang we als broers en zussen niet te dicht op elkaars lip zitten, leiden die familie­patronen een sluimerend bestaan. In de zorg rond on- ze ­ouders komen ze weer bovendrijven.”

Niet dezelfde inzet

Maar wat als de zorg níet in goede harmonie kan worden verdeeld? Jammer genoeg zijn niet alle broers en zussen geschikt – of in staat – om samen zo’n klus te klaren. De één heeft bijvoorbeeld een drukke baan of verplichtingen in het eigen gezin. De ander woont ver weg, heeft misschien een slechtere relatie met de ouders of maakt veel verre reizen ‘nu het nog kan’. Vaak springt een van de andere kinderen dan extra bij.

Dat overkwam ook Eveline*. Het contact met haar broers was altijd al wat afstandelijk. Eén keer per jaar zagen zij elkaar op de verjaardag van hun moeder. Eveline (administratief medewerkster) en haar broers (een vrijgezelle muzikant en een playboy-advocaat) wisselden dan hartelijk wat oppervlakkige wederwaardigheden uit, en keerden daarna opgelucht weer huiswaarts.

Toen hun moeder ziekelijk werd, lukte het Eveline niet om met haar broers afspraken te maken om de zorg onder elkaar te verdelen. Ze stond er alleen voor. In arren moede hield ze haar broers wel per e-mail op de hoogte van hun moeders gezondheid. Dat pakte goed uit: gaandeweg namen haar broers ook taken op zich.  Ook Liesbeth* ontdekte, toen haar vader hulpbehoevend werd, dat haar broers en zussen niet evenveel zorg wilden geven als zijzelf. “Ik dacht: iedere nacht kan één van de kinderen of kleinkinderen bij hem logeren. En overdag regelen we de zaken met de thuiszorg. Maar ik kwam bedrogen uit. Niemand wilde ’s nachts bij hem blijven. En de kleinkinderen bleven al helemáál buiten schot.” Liesbeth wilde er zelf wel helemaal voor gaan, maar de anderen trapten op de rem en haar vader werd opgenomen in een verpleeghuis.  

Elkaar waarderen

Hoe meer broers en zussen er zijn, hoe beter je de taken kunt verdelen, maar hoe groter ook de kans dat er onenigheid ontstaat. Wat doe je als je niet met elkaar op één lijn zit? Wat als de één vindt dat verder behandelen van een zieke ouder echt zinloos is en de ander de moed nog lang niet wil opgeven? Dat zijn lastige kwesties. Families kunnen er hechter door worden of juist uit elkaar drijven. Uit een onderzoek uit 2005 is gebleken dat onderlinge waardering van zorgende broers en zussen erg belangrijk is. Als ze oog hebben voor elkaars inspanningen blijft het meestal wel goed gaan.

Het wordt lastig als er bijvoorbeeld één grote ‘gever’ bij is die niet altijd de ruimte biedt aan de anderen om ook iets te doen. Of die niet inziet dat de anderen ook hun steentje bijdragen. En helemaal ingewikkeld wordt het als er een zwart schaap is, dat ook nu weer wordt buitengesloten. Alle broers en zussen hebben evenveel recht om voor hun ouders te zorgen.

Achteraf, als het stof is neergedwarreld, vinden veel kinderen dat de periode waarin ze voor hun ouders hebben gezorgd waardevol was. Zeker als hun inspanningen werden gezien en gewaardeerd. Ze hebben met elkaar iets kunnen betekenen voor hun ouders, en dat geeft een goed gevoel.

* Namen van de betrokken personen zijn vervangen door een pseudoniem

Lees ook:

Bron(nen):
  • Plus Magazine