Spitsbergen: Een ijzingwekkende reis

Willem Barentsz ontdekte Spitsbergen in 1596. Meer dan 400 jaar later vaart de Nederlandse driemaster Oosterschelde door dezelfde wateren. “Dit is echt avontuur.”

Wakker worden! Er zit een ijsbeer op de potvis!” Het is een vreemde kreet waarmee de opvarenden van de Oosterschelde om 5 uur ’s ochtends ruw uit hun slaap worden gehaald. Maar de tamelijk bizarre mededeling werkt wél: binnen vijf minuten staat het dek vol slaperige vakantiegangers. En ja, het is echt waar. Op een kleine vijftig meter afstand staat een grote ijsbeer te smullen van de ingewanden van een reusachtige rottende potvis.

We zijn al bijna twee weken onderweg en deze ochtend wordt opnieuw duidelijk dat dit geen gewone vakantie is. We slapen in eenvoudige hutten, er zijn maar een paar douches en het wordt op prijs gesteld als je aan boord een beetje meehelpt. Afwassen, wachtlopen of aardappelen schillen: we doen het sámen. Bovendien is het koud, winderig en soms ronduit oncomfortabel. En bepaald goedkoop is het ook al niet!

Voor de meeste gasten was het dus even wennen. Voor Dick van de Pol (64) en Myrian Barenbrug (63) uit Amsterdam bijvoorbeeld. Dick en Myrian hadden zich niet buitensporig goed voorbereid, om het maar ’s voorzichtig uit te drukken. Dick presteerde het zelfs om zonder muts of sjaal te vertrekken naar deze plek op 1000 kilometer boven de poolcirkel. Zeilen hadden ze nog nooit eerder gedaan. Toch hebben ook Dick en Myrian het reuze naar hun zin. Dick leende een sjaal en een muts en als het echt te koud wordt, gaan ze gewoon binnen zitten.

Bijkomen bij de kachel

Deze reis, ontdekken we aan boord allemaal, is juist zo bijzonder omdát je af en toe een beetje moet afzien. Aan boord van de Oosterschelde leren we de eenvoudige genoegens weer te waarderen. Bijvoorbeeld als het schip na een stevige dag zeilen voor anker gaat in een beschutte baai. In de sfeervolle lounge installeer ik me naast het snorrende houtkacheltje met een glaasje port en een boek. Wat een moment! Nog zo’n hoogtepunt: een warme kop soep na een koude nachtelijke ankerwacht. Of wegdommelen in m’n knusse kooi, terwijl de golven tegen de scheepshuid klotsen; héérlijk!

Het ritme aan boord is al gauw vertrouwd. Om acht uur ontbijt, om negen uur met de kleine bootjes naar de wal en vervolgens een paar uur wandelen. Dan terug naar het schip, lunchen, een stuk varen, misschien nog een wandelingetje maken, eten en slapen.

Zelfs de meest doorgewinterde landrotten wennen snel aan het zeeleven en maken zich de bijbehorende terminologie eigen. Een bed is een kooi, je kamer is een hut en de keuken een kombuis. Het wachtensysteem is even wennen, maar na een paar dagen is ook dat volkomen gewoon. Al zijn er wel mensen die simpelweg geen zin hebben om om vier uur ’s nachts hun kooi uit te komen en een paar uur door te brengen op het ijskoude dek. Gelukkig is daar óók ruimte voor: je móet niks.

Knielen voor een pootafdruk

Elke dag brengt weer iets nieuws. De ene keer verbazen we ons over kleuren en geluiden, dan weer over dieren die we tegenkomen, of de overblijfselen daarvan. We liggen op onze knieën voor vreemdsoortige plantjes, fossielen, rendiergeweien, onduidelijke botten, minuscule bloemetjes, paddestoelen, pootafdrukken, vogelschedeltjes en prachtige stenen. Als we het niet meer weten, vragen we het de gidsen.

De tweelingbroers Hans en Cor vergezellen ons op alle wandelingen, als gids én beveiliger. Ze zijn bewapend met geweren en alarmpistolen, want je weet het maar nooit met al die ijsberen hier. Hans en Cor zijn doorgewinterde vogelaars en dat blijkt uit hun dialogen: “Hans! Een brandgans!” “Cor! Een graspieper!”
“Hans? Een tapuit!” “Volgens mij niet hoor.” “Ja, het is er wel een. Ik zie duidelijk z’n witte stuit.” Etcetera etcetera.
Een zeereis als deze trekt een speciaal publiek. Qua leeftijd zit er van alles tussen, variërend van dertig tot tegen de zeventig jaar. Er zijn ervaren zeilers bij, geboren avonturiers, kantoormedewerkers en mensen die nog nooit een schip van binnen gezien hebben.

Wodka om te ontdooien

Een koude, mistige ochtend. We gaan van boord bij het verlaten Russische mijnstadje ­Colesbukta. De Russen zijn al dertig jaar weg, maar het spookstadje ligt er nog redelijk ongehavend bij. Houten huizen, lelijke betonnen schuren. De deuren zijn niet op slot, ik wandel ongehinderd een woonhuis in. Binnen tref ik een tafel vol Russische boeken en wat lege wodkaflessen. De volgende kamer: twee bedden. Aan de knaapjes een paar jassen, met twee paar rubber laarzen er keurig onder geparkeerd. Weer een kamer verder: de kachel met een grote waterketel erop. In een kast staan de stapels borden en schoteltjes nog netjes gesorteerd. Het lijkt wel of de bewoners hier ooit halsoverkop zijn vertrokken.

We lichten het anker en bezoeken twee andere Russische mijnstadjes: Pyramiden en Barentszburg. Het laatste stadje is nog in gebruik, hier wandel je zó Rusland binnen – een bijzondere gewaarwording. Ik word uitgenodigd bij een paar Oekraïners thuis en geheel in de Russische traditie moet ik zeker vijf glazen wodka naar binnen gooien voordat er ook maar enige communicatie mogelijk is. Ik ben blij als we deze troosteloze omgeving weer achter ons laten, want de natuur trekt me meer. Niet voor niets staat Spitsbergen te boek als de ‘laatste echte wildernis van Europa’. De extreem noordelijke ligging is allesbepalend; hier overleven alleen dieren en planten die keihard zijn. Tijdens onze uitstapjes op de eilanden zien we baardrobben, poolvossen en stormvogels, rendieren, sneeuwhoenders en beloega’s (witte walvissen). En ook prachtige gletsjers, machtige verlaten valleien en onvergetelijke zonsondergangen.

IJsbeer in zicht!

Uiteindelijk is er één waarneming waar we allemaal stiekem op hopen: waar blijft de ijsbeer? Er wonen meer ijsberen dan mensen op Spitsbergen; ongeveer vijfduizend beren tegen drie- tot vierduizend inwoners. Toch is de kans om er één te spotten niet zo heel groot, want de dieren verblijven het liefst op plekken met veel ijs en dat zijn natuurlijk nét de plaatsen waar je met een schip niet zo makkelijk komt.

Is de ijsbeer voor de toeristen een enorme attractie, voor de locals is het dier vooral een gevaar. IJsberen kunnen dicht bij dorpen komen en steeds weer blijkt dat vooral buitenstaanders zich onvoldoende bewust zijn van de gevaren. Dat bleek nog eens in 1987, toen twee Nederlandse wetenschappers hier in een afgelegen hut verbleven. Ze waren ongewapend want ze vonden het ongepast om ijsberen met geweren te lijf te gaan – dat is althans de versie van het verhaal die nu nog de ronde doet op Spitsbergen. Tegen het eind van hun verblijf werden de mannen aangevallen door een ijsbeer. Ze raakten zwaargewond en moesten een paar dagen op hulp wachten, maar ze overleefden het wel. De beer niet; die werd alsnog doodgeschoten door de reddingsploeg.

Het verhaal kreeg nog een staartje, want een paar jaar later keerde één van de wetenschappers terug. “Dit keer had de man wel een wapen bij zich”, vertelt een local. “Maar na een verblijf van een paar weken ontdekte hij – pas bij terugkeer – dat de munitie die hij bij zich had, niet paste bij het geweer.” Dat zal ons gelukkig niet overkomen, want Hans en Cor schieten met enige regelmaat een kogel af om te kijken of hun wapens nog in orde zijn.

Hoe dan ook: als je op Spitsbergen bent, móet je een ijsbeer zien. En wij hebben geluk, want onze kapitein kent een plekje waar al wekenlang een dode potvis ligt.
De geur van het rottende en stinkende kadaver heeft een paar hongerige ijsberen aangetrokken die geen andere voedselbron meer kunnen vinden. We varen er op één van de laatste dagen naartoe en ja hoor: drie ijsberen. Wat een schouwspel!
Terwijl we met z’n allen nog één keer de camera’s laten klikken, denk ik terug aan de afgelopen twee weken. Spitsbergen ontdekken vanaf de Oosterschelde is een unieke ervaring. Zeil­ervaring is niet nodig. Je moet wel een beetje avontuurlijk ingesteld zijn. Misschien is het niet voor iedereen weggelegd, maar als je het aandurft, staat je hier een vakantie te wachten die je nooit zult vergeten.

Bron(nen):
  • Plus Magazine