Wandelen met Hella: Ik ben een geboren verhalenverteller

Hella van der Wijst struint over het bevroren Naardermeer met Pluslezer Henk Hofman. De open ijsvlakte nodigt uit tot filosoferen, iets wat Henk graag doet. “Vroeger noemden ze me al de meesterdromer.”

Zelden tref je zo'n opgewekt mens als Henk. En zelden is de winter streng genoeg voor deze unieke wandeling. Alleen als er ijs ligt, mag je het Naardermeer op zonder begeleiding, want dan zijn er nauwelijks dieren die je kunt storen. Het dunne laagje sneeuw op het ijs betekent hard werken voor de schaatsers, maar zorgt onder onze schoenen voor grip. Nederlands oudste natuur­monument, dit beroemdste bevroren merenmoeras van Europa, zoals Jac. P. Thijsse het ooit noemde, wordt niet geveegd.

Geheim

Henk en ik starten aan het einde van de middag met het winterlicht op zijn mooist. Vanuit zijn lage standpunt verandert de zon het koele sneeuwwit in warm goud. Even zijn we er samen stil van. Even maar, want Henk loopt over. Van ­verhalen, maar eerst van vragen. “Hoe heeft mijn vrouw dit zo knap geheimgehouden? Je hebt haar zelfs aan de telefoon ­gehad toen we samen op vakantie waren! Dit is zo leuk, ik geniet al jaren van jouw wandelingen op televisie.”

wandelen

Alle kanten tegelijk rondkijkend lopen we over de bevroren sloot tussen het gele riet. Sporen tonen dat meer wandelaars dat idee hadden. Knobbelganzen komen in formatie aangevlogen om voor onze neus onhandig te landen in het laatste kleine wak. In tegenstelling tot buurtvijvers waar ijverige vaders vaak een wak slaan voor de eenden, laat men hier de natuur de natuur. 

Verhalenverteller

Henk begint intussen met wat hij graag doet: verhalen vertellen. “En het mooie is dat ik ze nu veel beter vertel dan vroeger! Dat is het goede van ouder worden; je staat jezelf steeds minder in de weg als je een verhaal vertelt.”

Die liefde voor verhalen heeft Henk al zijn hele ­leven. Als kind van 10 hield hij een boekje bij met de volwassen titel Wat ik denk, wat ik zie. En hij kon zich als jongen al diep concentreren op een bloem of een stekelbaarsje. “Ik focuste tot ik scheel keek en langzaam verdween in waar ik naar keek. Het was bijna een truc: als ik maar lang ­genoeg bleef kijken, werd ik zélf dat diertje of die bloem. Dat zag ik als een godservaring.”

Meesterdromer

Thuis noemden ze Henk ‘de meesterdromer’, niet altijd in positieve zin.  Vooral zijn vader bedoelde daarmee: zou je niet eens wat gaan doen! Kinderlijk gelovig spelde hij de bijbelverhalen en leefde zich helemaal in. “Van sommige verhalen kon ik echt wakker liggen, dan was ik bang dat God me ’s nachts zou komen halen. Tot het voelde alsof God me een knipoog gaf en zei: ‘Henk, wij weten wel beter…’”

Blijven dromen, dat vindt Henk belangrijk. Met zijn manier van verhalen vertellen wil hij onderwijzers helpen met wat hij de ‘grijze muizenkinderen’ noemt. Volgens hem is er volop aandacht voor kinderen die opvallen, van de bollebozen tot kinderen met ADHD, maar wordt de middenmoot daarbij vaak vergeten.

wandelen2

Moeilijk

Dat dromen is een rode draad in zijn leven. Niet alleen in zijn werk en de verhalen die hij ­vertelt, maar ook in de liefde. “’s Zondags wandel ik gewoonlijk met Martha, mijn vrouw”, vervolgt hij. “Maar sinds haar ­kapotte knie en de kanker die ze gelukkig heeft overleefd, komt het er even niet van.”

Bedrukt vertelt hij over de heftige tijd waar hij en Martha amper uit zijn. Ik deel zijn tranen als hij vertelt over de liefde die worsteling, geheimen en grote twijfel heeft overleefd. “We hebben tien moeilijke jaren achter de rug, waarin we elkaar helemaal opnieuw hebben leren kennen. En nu weet ik het zeker: met haar wil ik oud worden!” 

Zonsondergang

We wandelen over een bevroren sloot met aan weerszijden kale, witte takken. Ze zijn niet wit van de sneeuw, maar van de vogelpoep. We naderen een van de grootste aalscholverkolonies van Europa met jaarlijks zo’n 1200 tot 2000 nesten. In het broedseizoen mag je onder bege­leiding vanuit de kijkhut de indrukwekkende zwartbruine vogels bespieden. Dat schijnt een spek­takel te zijn.

Maar nu is het er verlaten. Een enorme warmrode zon trekt even later onze aandacht. Ertegenover staat een bijna volle maan tegen de nog blauwe hemel. We gaan een gesprekje aan met een stel dat net als wij geniet. Speciaal voor deze zonsondergang zijn ze vervroegd uit hun werk hiernaartoe gekomen. Dat zouden meer mensen moeten doen! De wereld ziet er zó anders uit vanaf het ijs.

Tobmoment

We lopen richting De Machine, een voormalig stoomgemaal waar mevrouw Mostert sinds jaar en dag ’s zomers een theetuintje voor wandelaars runt. Vandaag is er voor het eerst koek-en-zopie voor wandelaars en schaatsers. We bestellen ­chocolade met rum en het leven is goed. Er strijkt een roodborstje neer op het vastgevroren trapje in het ijs: een tafereel dat doet denken aan de schilderijen van Breughel of Van Ruysdael.

Turend over de open ijsvlakte filosofeert Henk: “Af en toe heb ik een tobmoment en vraag ik me af wat nu echt belangrijk is. Daarvoor heb ik een speciaal boekje gekocht waarin ik mezelf verplicht op te schrijven waarvoor ik dankbaar ben. Ik ben dankbaar dat ik hier zit, dat de zon schijnt, dat ik genoeg te eten heb, dat ik een koe zie… Dan schiet me zoveel te binnen dat ik het niet kan bijhouden. En ineens krijgt de wereld dan weer glans.”

Terwijl hij me dit vertelt, zoeft er een schaatser voorbij. Het blijkt de beheerder te zijn, die controleert of er verstekelingen op het ijs zijn achtergebleven. Ja, wij. We kunnen maar geen genoeg krijgen van deze wondermooie ijswereld. En van elkaars verhalen…

Bron(nen):
  • Plus Magazine