Tuinieren met Romke: geef alle insecten een warm welkom

Mijten, spinnen, duizendpoten en pissebedden: wie er geen belangstelling voor heeft, schaart al deze dieren onder enge beestjes. Maar veel van deze dieren spelen een rol in het gezond houden van de tuin.

We zijn geneigd alles wat klein is en kruipt of vliegt een ­insect te noemen. Dat klopt niet. Insecten horen tot de enorme groep van geleedpotigen, dieren met ­gewrichten in hun poten. Geleed­potigen zijn verre­weg de grootste stam van het ­dierenrijk. Sommige leven tijdelijk ­onder de grond, ­andere zijn permanent onder of boven het maaiveld te vinden. Alle geleedpotigen zijn met het blote oog zichtbaar, hoewel een ­vergrootglas wel handig is om sommige te bekijken.

Wie druivenstruiken in de tuin heeft, kent de druivenviltmijt: op het blad zie je rode bulten ontstaan en als je het ­omdraait, zie je een witte schimmellaag. Je hoeft die viltmijt niet fanatiek te ­bestrijden want hij heeft nauwelijks invloed op de druivenoogst. Maar hoor je bij de obsessieve bestrijders, verwijder dan het aangetaste blad.

Een andere bekende mijt is de bramengalmijt. Deze mijt maakt dat sommige bramen maar ten dele afrijpen; sommige vruchtkorrels blijven rood. Het ­resultaat is een zure braam. Wat je tegen die bramen­verpester kunt doen? In de herfst al het afgevallen bramenblad verwijderen. Ga er maar aan staan.

Vermiljoenrode stipjes

Tegenover plaagmijten staan evenveel mijten die vanuit ons oogpunt nuttig zijn. Mei brengt van die dagen waarop het plotseling volop zomer lijkt. Kijk op zo’n warme voorjaarsdag naar de grond en je zult honderden vermiljoenrode stipjes zien. Dat zijn fluweelmijten. Het zijn nuttige dieren; ze eten vooral spint en bladluizen. Fluweelmijten horen tot de weinige soorten mijten die in de tuin regelmatig worden gezien, waarschijnlijk omdat ze door hun felle kleur ­onmiddellijk opvallen.

Het seksuele leven van de fluweelmijt is ongecompliceerd want mannelijke ­fluweelmijten zijn onbekend. De vrouwtjes planten zich ongeslachtelijk voort. Deze mijten zijn geduchte jagers op ­bladluizen, trips en andere schadelijke insecten, en daarom wordt al jarenlang geprobeerd om de fluweelmijt te kweken. Dat valt niet mee, want fluweelmijten eten in het laboratorium met animo hun soort­genoten op. Maar in het wild ­gunnen ze elkaar het leven. Het inzetten van andere roofmijten ­tegen allerlei plagen heeft trouwens al een flinke vlucht genomen. Je kunt een potje roofmijt in ieder tuincentrum kopen.

Slakkenbestrijder

Mijten zijn verwant aan spinnen; net als spinnen hebben ze acht poten. Echte ­insecten, zoals wespen, ­hebben zes ­poten. Bij de wesp denken wij ­meteen aan ­limonadewespen, die in grote ­kolonies leven. De meeste ­wespen leven echter niet in kolonies maar ­solitair. Overigens zijn limonadewespen niet ­zonder nut. Een groot deel van het jaar jagen ze op vliegen en bladluizen. Pas in de na­zomer worden ze vegetariër en ontwikkelen ze een grote liefde voor ­zoetigheid.

Ook graafwespen duiken geregeld op in tuinen. Graafwespen ontlenen hun naam aan het feit dat ze voor ieder toekomstig jong een holletje graven. Ze doden hun prooi niet maar verlammen die, slepen hem naar hun hol en leggen er hun eitjes op. Die prooi kan van alles zijn. Er zijn sprinkhanendoders, spinnen­doders, wantsendoders, keverdoders en nog veel meer doders. Niet lang geleden zijn ­eitjes van parasitaire wespen op de rupsen­ van de eikenprocessierups gevonden.­

Kevers maken 40 procent uit van alle ­insecten. Er zijn tot nu toe 350 miljoen soorten ontdekt. Ze zijn overal: in de grond, in de lucht, in bomen, vijvers, sloten en rivieren. Sommige kevers eten dode planten, andere levende planten, sommige dode dieren en andere ­levende dieren. En weer andere eten schimmels. Veel kevers doen nuttig werk in de tuin. Ze ruimen bladluizen op en doden slakken. Vooral de schallebijter, een grote zwarte kever die in iedere tuin voorkomt, is een geduchte slakkenbestrijder.

Knuffelinsecten

Toch zijn het niet de nuttige kevers die de meeste aandacht krijgen. Die gaat vooral uit naar de schadelijke kevers: het leliehaantje dat van het blad en de bloemknoppen van lelies leeft, het elzen­haantje dat ­hetzelfde doet met elzen, de taxuskever die niet alleen van taxus maar ook van allerlei vaste planten leeft, de coloradokever – de schrik van de aard­appelteler – en de meikever die hele ­gazons kan ruïneren.

Bij insecten denken wij vooral aan mooie of nuttige insecten. Aan ­hommels, ­honingbijen en vlinders. Hoe we die naar onze tuinen kunnen lokken, is zo lang­zamerhand wel bekend. Maar de insecten­wereld bestaat uit veel meer dan uit een paar knuffelinsecten. En ieder dier heeft in de tuin zijn rol. Haal een schakel uit de kringloop en de hele zaak stort in elkaar. Zonder bladluis zou het lieveheersbeestje van honger verkommeren.­ Zonder rups geen dagpauwoog.

Wie tuiniert zou moeten proberen om het álle insecten naar de zin te maken en niet alleen de leuke of fotogenieke. Wat je hiervoor moet doen? Niets – je hoeft er alleen maar van alles voor te laten. Gebruik geen kunstmest en geen bestrijdingsmiddelen. Zie tuinieren niet als een strijd maar probeer te genieten van alles wat er, naast planten, in de tuin leeft.

Kevers houden bladluizen en slakken in toom

Veel balkonhekken hebben ­spijlen. Gebruik die als houvast voor eenjarige klimplanten, zoals de klimmende winde. Die kun je in mei nog zaaien, maar je kunt hem ook als bloeiende plant in potten kopen. Ook pronkbonen doen het goed op een balkon. Hun oranjerode bloemen doen niet onder voor de bloemen van veel sierplanten.

Een roos die ­altijd verkoopt is ­‘Wedding Day’. Het is een schitterende roos, maar zij bloeit maar kort. De naam is geniaal bedacht. Een andere plant die vanwege zijn naam altijd verkocht zal worden, is de Clematis ‘Silver Jubilee’.

Klassieke kuipplanten zoals oleanders en citrusboompjes moeten ieder najaar naar binnen. Dat zorgt voor veel hoofdbrekens. Je zou die kuipplanten kunnen vervangen door paprika’s, aubergines en Spaanse pepers – minstens zo mooi als een oleander en een stuk minder giftig. Geen gesjouw meer en geen paniek als er nachtvorst dreigt. Je eet de oogst op, gooit de planten weg en zet de lege bloempotten omgekeerd onder een afdakje.

Hommels hebben een korte tong en kunnen niet bij de nectar in de nauw toelopende bloem van vingerhoedskruid. Maar dat houdt ze niet tegen. Ze bijten ­eenvoudigweg een gaatje aan de basis van de bloembuis.

Zomerbollen zoals dahlia’s, canna’s en gladiolen plant je in mei. In de herfst moet je de bollen weer rooien om ze vorstvrij te laten overwinteren. Soms ben je vergeten waar je ze hebt geplant. Er is een oplossing voor: koop in het tuincentrum waterplanten­mandjes, ­bedoeld voor waterlelies. Vul het mandje met zomerbollen en plant de bollen met mand en al. Ze zijn ­makkelijk te rooien en je kunt ze in hun mandje ­laten overwinteren.

In mei kun je de ouderwetse boerenbegonia, ­Begonia x bertinii, planten in bloembakken, potten en hangmandjes. De zwaarbeladen bloemstengels hangen sierlijk over, dus plaats de pot op een sokkel. Deze knolbegonia kun je kopen in verschillende kleuren. In de winter kun je de knollen droog en ­vorstvrij bewaren.

Hommels zijn sociale ­insecten. Ze vormen een staat met een rigide taakverdeling tussen barende koninginnen, nijvere werksters en klaplopende mannetjes. In de doorsnee tuin kom je zes soorten tegen: akkerhommels, steen­hommels, aard­hommels, weide­hommels, veld­hommels en natuurlijk ­tuinhommels.

In het voorjaar gaan de ­koninginnen, die dan al een winter lang zwanger zijn, eropuit. Je herkent ze aan hun ­dikke lijven waarmee ze ­zigzaggend laag over de grond vliegen. Ze zoeken voedsel en een goede nestplaats. Is die eenmaal gevonden, dan begint de koningin met het aanleggen van een nectarvoorraad in potjes van was. Vervolgens legt ze ­eitjes en houdt die een week lang warm totdat ze uitkomen. Nu moet ze in haar eentje op zoek naar voedsel, ­totdat de larven zich tot werksters hebben ontwikkeld.

Dat valt niet mee, want de eerste koninginnen vliegen in maart, als er nog weinig bloeit. Wil je hommels ­helpen, plant dan vroege bloeiers zoals maartse ­viooltjes, krokussen en longkruid.

In juli en augustus worden nieuwe koninginnen en mannetjes groot­gebracht. Deze vliegen uit om te ­paren. Veel mensen ­denken dat de koninginnen tijdens hun bruidsvlucht bevrucht ­worden, maar de praktijk is minder romantisch. De bevruchting vindt pas plaats als ze weer zijn ­geland.

In de herfst zoeken de nieuwe, bevruchte hommelkoninginnen een plek op om te overwinteren, meestal in de grond. De rest van het volk sterft.

Boompioenen zijn houtige, struikvormige pioenrozen. ’s Winters zijn ze met hun kale takken niet mooi, maar alles wordt goedgemaakt in mei als ze bloeien. Boompioenen houden van zon. Er zijn twee uitzonderingen: ­Paeonia lutea met gele bloemen en ­Paeonia delavayi met bloemen in kastanjerood.

Vijverwater is vaak troebel in het voorjaar. Daartegen bestaan geheime wapens. Koop een half onsje watervlooien bij de aquariumhandel en gooi ze in de vijver. Na een week is het water helder. Ook het watersoldaatje, een drijvende waterplant, zorgt snel voor helder water.