Wandelen met Hella in Midden-Delfland

‘Ik leef weer. Dat is een feestje waard’

Tijdens een reis door Amerika kreeg Cobie Blok een hersenbloeding. Herstel en revalidatie kostten veel tijd, maar ze vertrouwde op haar kracht en optimisme. “Voorheen was ik een echte planner. Nu leef ik meer bij de dag.”

Door wat Cobie Blok in 2015 is overkomen, kan ze maximaal veertig minuten met me wandelen. Maar de koffie is amper ingeschonken of ze vraagt al wanneer we gaan; zo intens gelukkig is ze met wat ze wél kan. Een stukje van de ‘Camino des Pays-Bas’ door de streek Midden-Delfland tussen Delft en Rotterdam staat op ons programma. Het is de Nederlandse pelgrimsroute naar Santiago de Compostella in Spanje, waarvoor je een stempel van Cobie (64) kunt krijgen in de Sint-Jacobuskerk. Die staat pal tegenover haar geboortehuis.

Als we haar deur uit lopen en de hoek om gaan, kijken we al uit over Midden-Delfland. Je zou kunnen zeggen dat ‘wandelen met de stokken die je hebt’ Cobie’s adagium is. In haar geval zijn het nordic-walking-stokken, die haar goed in balans houden.

Nog maar een paar jaar geleden vroeg ze zich af of ze ooit nog zou kunnen wandelen.

In oktober 2015 maakte ze met haar man ­Gerard een droomreis van tweeënhalve week langs alle grote natuurparken van West-Amerika. Op de op een na laatste dag kreeg ze ’s ochtends in San Francisco haar schoenveters niet meer vast. “Ik had al een paar dagen hoofdpijn. Dan ga je op internet kijken en denk je: dat komt door het hoogteverschil.” Ze kocht pillen tegen de hoofdpijn en bezocht de befaamde Golden Gate-brug. “Toen ik zei dat ik me niet zo goed voelde en af en toe even mijn bewustzijn verloor, heeft een arts in ons reisgezelschap direct een ambulance gebeld.”

Cobie belandde in het ziekenhuis en dacht nog dat ze daags erna gewoon naar huis zou gaan. Maar ze bleek een flinke hersenbloeding te hebben gehad en was halfzijdig verlamd. “De eerste nacht op de intensive care was ik heel angstig en dacht ik dat ik dood zou gaan. Maar een hele aardige ziekenbroeder zei: ‘Jij gaat niet dood.’ Toen ik vroeg: ‘Waarom niet?’ antwoordde hij: ‘Ik zie de spirit in je ogen.’” Terwijl Cobie dit vertelt, schieten diezelfde ogen vol en verontschuldigt ze zich. “Ik moet af en toe een traantje laten. Dat moet je me maar niet kwalijk nemen.”

Stil stapt de stoere dame door over het pad, dat wordt ingeklemd door hoge populieren. We ­wandelen door het van oudsher katholieke dorpje Kethel, dat tegenwoordig onder Schiedam valt. In de bocht hebben we hebben mooi zicht op de voormalige molen aan de Kandelaarweg. “Ik maakte me zorgen over mijn man. Hoe moest hij verder? Maar ook over de kinderen en kleinkinderen.” Toch kijkt Cobie ook met heel warme gevoelens terug op deze spannende tijd. Op hun verzoek mocht Gerard op haar kamer slapen, waardoor ze zich extra dicht bij elkaar voelden. Het was een intense tijd, waar ze nog weleens naar terug verlangt. “Ik was elke morgen na het wakker worden blij dat ik er nog was. Het moment dat ik mijn teen weer kon bewegen, herinner ik me nog als de dag van gisteren”, lacht ze. Het lijkt alsof deze glimlach woont op het gezicht van de positief ingestelde Cobie.

“Gek genoeg bleef ik best rustig. Het overkwam me en ik kon er toch niets aan veranderen.”

Cobie dacht na een ‘beetje revalideren’ en door­zetten, waar ze goed in is, zo weer thuis te zijn. Maar dat liep even anders. Want om naar huis te kunnen vliegen moet je ‘fit to fly’ zijn en dat was Cobie allerminst. Na negen dagen intensive care begon een pittige revalidatie, waar ze wel met veel liefde op terugkijkt. “Iedereen was zo aardig en we hadden veel plezier met de therapeuten en verpleegkundigen, die van over de hele wereld kwamen. Het was echt een smeltkroes.” Op 6 december – na twee maanden Amerika – mocht Cobie onder begeleiding van een arts en verpleger eindelijk terug naar huis vliegen. “Dan denk je: fijn. Maar ik belandde van de hemel in de hel.”

Na een lange reisdag kreeg ze in het Nederlandse ziekenhuis pas haar eerste eten om half zeven ’ s avonds. Regelmatig gaven ze haar verkeerde medicijnen. En soms moest ze een half uur wachten om naar het toilet te kunnen. “Dan had ik het al in mijn broek gedaan”, vertelt ze me met schaamte op haar gezicht. ’s Nachts was er één verpleegkundige voor 48 patiënten. “Ik weet nu wat Hugo Borst met zijn manifest bedoelt over de zorg die tekortschiet in Nederland.” Het excuus dat Cobie kreeg was ‘personeelstekort’ en ‘het ­protocol moet worden gevolgd’.

Ze is extra dankbaar voor de goede zorg die ze in Amerika heeft gekregen. Mede doordat ze daar zo hard heeft gewerkt aan herstel, wandelt ze nu met mij op dit typisch Hollandse kronkelweggetje met geknotte wilgen. Wel heeft Cobie al een paar epilepsieaanvallen gehad, en met dat risico moet ze leren leven. Ze constateert nuchter: “Het is niet elke dag feest, maar ik kan ook weer een half uur zwemmen en traplopen!”

Ondertussen zijn we gearriveerd bij de 125 jaar oude Sint-Jacobuskerk, waar Cobie al haar hele leven een bijzondere band mee heeft. Daartegenover is ze geboren en ze beheert de sleutel van de kerk. Zij wordt gebeld door pelgrims die de ‘Camino des Pays-Bas’ wandelen en een stempel in hun wandelpaspoort willen. Al jaren doet ze dat en ander vrijwilligerswerk voor de kerk. Leidinggevende taken, maar ook voorgaan in uitvaarten.

KaartjeKort voor vertrek naar Amerika was ze nog druk met de Allerzielenviering ter herdenking van de doden. Peinzend constateert ze: “Ik liep mezelf bijna overhoop. Na mijn hersenbloeding heb ik weleens gedacht: goed dat ik even pas op de plaats moest maken.” Voorlopig zal de Jacobskerk het nog even zonder Cobie moeten doen. “Daar ben ik nog te emotioneel voor!”

Nadat ze mij het pelgrimsboekje en de kerk heeft laten zien, wijst ze even op de toren van de kerk. “Grappig detail is dat aan drie kanten een klok zit. Aan één kant dus niet. Die keek uit op de wei en koeien kunnen nu eenmaal geen klokkijken.”

We wandelen terug via het zogenaamde ‘huisje met de sneeuwklokjes’ waar Cobie is opgegroeid. De hersenbloeding heeft haar leven en haar relatie met Gerard behoorlijk veranderd.

“Voorheen was ik een echte planner. Nu leef ik meer bij de dag.”

Cobie reed auto en regelde bijna alles. Na haar epilepsie heeft Gerard die taken opgepakt. “Hij is superzorgzaam. Ik ben nog meer van hem gaan houden…” Ooit had Cobie zelf de hele route naar Santiago de Compostella willen lopen, maar dat zal er nu niet meer van komen.

In plaats van ‘treuren’ is ‘vieren’ een woord dat meer op Cobie van toepassing is. Precies een jaar na haar hersenbloeding heeft ze een grote ‘American party’ georganiseerd. “Een dankjewel-feest voor goede vrienden die ons zo gesteund hebben, en om het leven te vieren. Garantie heb ik niet gekregen, maar ik lééf weer; dat is wel een feestje waard!” Terug thuis, laat ze mij nog de foto zien die haar nog altijd diep raakt. “De eerste keer dat ik weer zelfstandig kon zitten op de rand van het bed. Simpel naast Gerard zitten… dan ben ik zo dankbaar. En net als toen in het ziekenhuis zeggen we nu vaker: blij dat jij er nog bent, blij dat we er ­samen nog zijn.”