De Tweede Wereldoorlog: onder wolven

Of Engeland de Tweede Wereldoorlog tegen Duitsland overleefde, hing van de Atlantische konvooien af. Maar in de diepten van de oceaan wachtte de schepen van de geallieerden een dodelijke bedreiging: de Duitse onderzeeërs. Een onzichtbare maar dodelijk effectieve vijand, zo bleek uit de sensationele U-Boot-overval op de Royal Navy in Scapa Flow.

‘Groot-Brittannië kon alleen beschikken over de wapens van de rest van de wereld, ook van de neutrale landen, als het de controle over de Atlantische Oceaan behield’ – dat schreef 1974 uitgerekend iemand wiens taak het in die Tweede Wereldoorlog was de oceaan tot een domein van Nazi-Duitsland te maken: admiraal Karl Dönitz. De man die door Hitler bij testament tot rijkspresident en opperbevelhebber van de Wehrmacht was benoemd en die na de zelfmoord van de Führer op 30 april 1945 korte tijd het laatste staatshoofd van het Derde Rijk was.

Daarvóór had Hitler hem echter met een speciaal terrein van de oorlogvoering belast. Als ‘bevelhebber der onderzeeboten’ was Dönitz verantwoordelijk voor de aanvankelijk zeer succesvol verlopende, maar vervolgens op zelfvernietiging uitdraaiende onderzeebootoorlog van het Duitse Rijk.

Verkeerde keuze

Aan het begin van de oorlog was het onderzeewapen, dat al uit de Eerste Wereldoorlog dateerde, nog geen factor van belang – al was het maar omdat Hitler zelf er sceptisch tegenover stond. En de zogeheten ‘Dickschiff’-factie binnen de marine deelde die mening. Tijdens de Duitse herbewapening, in de aanloop naar de oorlog, werd getwist over de vraag hoe de Britse vloot in geval van een conflict aangepakt moest worden. Terwijl de ene groep de Britse slagschepen met al even kolossale oorlogsbodems wilde bestrijden, maakte onder anderen Dönitz zich hard voor een flexibelere vloot van onderzeeërs en kruisers. Een compromis, het zogeheten ‘Z-plan’, sprak weliswaar van 249 te bouwen onderzeeërs, maar in werkelijkheid trokken de ‘Dickschiff’-pleiters aan het langste eind.

‘We hadden slechts 57 U-Boote, waarvan er maar 23 geschikt waren voor de Atlantische Oceaan,’ herinnerde Dönitz zich na de oorlog. Hoe vernietigend er echter van onder water uitgehaald kon worden, bleek in de oorlog maar al te snel. Het begon allemaal met de tegenblokkade van augustus 1940, een antwoord op de eerder door Engeland afgekondigde zeeblokkade van Duitsland. U-Boote waren nog het snelst te bouwen en daardoor uiteindelijk toch het meest geschikte antwoord op de, aldus Dönitz, ‘verpletterende overmacht van de Engelse vloot’.

Roedels

Voor de bouw van een gemengde Duitse vloot volgens het Z-plan ontbrak het simpelweg aan tijd.

De marine stond onder enorme tijdsdruk en de rekensom was simpel: zo snel mogelijk veel onderzeeërs bouwen. Volgens een tweede sommetje moesten die dan sneller vijandelijke schepen inclusief lading tot zinken brengen dan de geallieerden door nieuwbouw konden vervangen. Deze ‘tonnageoorlog’ werd volgens strenge effectiviteitscriteria gevoerd. Tot in het kleinste detail werd gepland waar de ‘grijze wolven’, zoals de Duitsers hun onderzeeërs plachten te noemen, moesten toeslaan om het grootste brutotonnage tot zinken te brengen. Vanaf 1940 terroriseerden Duitse onderzeeërs vanuit bases aan de westkust van Frankrijk het geallieerde scheepsverkeer. In ‘roedels’ stortten ze zich op de eerst nog afzonderlijk varende, maar later beter beschermde en in konvooien gegroepeerde geallieerde vrachtvaarders. Om niet telkens van ver op de oceaan naar de Franse kust terug te moeten keren, werden de ‘wolven’ door andere onderzeeërs, treffend ‘melkkoeien’ genoemd, bevoorraad.

Royal Oak ten onder

Tekenend voor de strategie van admiraal Dönitz is de ‘Actie Paukenslag’: toen het Duitse Rijk ook met de Verenigde Staten in oorlog raakte, werden in januari 1942 prompt Duitse onderzeeërs naar de oostkust van de VS gestuurd. De Amerikanen werden compleet verrast door deze aanval voor hun huisdeur en verloren in minder dan een maand 23 schepen.

De onzichtbare en nagenoeg onhoorbare onderwaterjagers loerden met hun periscoop bij voorkeur op handelsschepen, om die dan met torpedo‘s naar de kelder te jagen. De Britse handelsvloot omvatte bij aanvang van de oorlog 21 miljoen brutoregisterton. Dat staat precies gelijk aan het totale scheepsvolume dat de geallieerde koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog verloor. Tweederde van deze enorme vernietiging komt voor rekening van de onderzeeërs. Het startschot voor de Duitse onderzeebootoorlog vormde evenwel de aanval op een Brits marineschip. De Duitse onderzeeër U47 zorgde in oktober 1939 onder commando van Günther Prien voor een sensatie door het Britse slagschip ‘Royal Oak’ in zijn eigen wateren, in de natuurlijke haven van het Schotse Scapa Flow, tot zinken te brengen. Zowel Dönitz als Hitler bewezen de commandant bij zijn terugkeer de eer van hun aanwezigheid. De propaganda buitte de dodelijke treffers gretig uit en stileerde succesvolle officieren tot ware kampioenen. Dit gebeurde bijvoorbeeld met Otto Kretschmer (45 schepen vernietigd) en Joachim Schepke (36 schepen).

Das Boot

De ook bijzonder trefzekere commandant Werner Hartmann werd gelijk maar zijn eigen propagandist. Hartmann schreef en publiceerde nog tijdens de oorlog zijn roman ‘Vijand in het vizier’ (1942). De alomtegenwoordige Karl Dönitz voorzag het van een voorwoord en noemde daarin het doel van het boek ‘een jonge garde werven die uit het juiste hout gesneden is: taaie, harde kerels met een standvastig hart!’ Hartmann schrijft luchtigjes over zijn tijd op en onder het water en geeft de dagelijkse strijd om te overleven de trekken van een boeiend avontuur.

Minder romantisch en des te beklemmender zijn de beschrijvingen van de onderzeebootacties in de roman ‘Das Boot’ van Lothar-Günther Buchheim. De schrijver publiceerde zijn belevenissen op diverse onderzeeërs pas in 1973. ‘Das Boot’ werd een bestseller en de verfilming was goed voor zes Oscar-nominaties. Het claustrofobische onderwaterbestaan en het alomtegenwoordige en toch onzichtbare gevaar sloopten de zenuwen van menig bemanningslid. Niet voor niets hadden de kleine onderzeeërs het op niet of nauwelijks bewapende koopvaarders voorzien, want tegen beter bewapende tegenstanders zoals torpedobootjagers konden de ‘grijze wolven’ weinig uitrichten.

Bron: G-Geschiedenis