De verrassende geschiedenis van de taart

Taarten bakken moet haast wel in onze genen zitten. Iets zoets om je vingers bij af te likken, wat je blij maakt of troost: dat wilden onze verre voorouders ook al.

De eerste serieuze pogingen werden waarschijnlijk gedaan rond 9500 voor Christus. De oude Egyptenaren maakten toen eetbare bakjes van ­haver, tarwe, rogge of wat voor graan ze ook maar bij de hand hadden, die ze bakten op hete kooltjes en vulden met honing. Een tartelette zouden de bakkers dat nu noemen. Zo’n 8000 jaar later, in de tijd van de farao’s, bakten de bakkers aan het hof brood gevuld met noten, honing en fruit als ultieme lekkernij. Je komt er nu beslist de voorrondes van Heel Holland Bakt niet mee door, maar de farao’s ­waren er maar wat trots op. Ramses II, die regeerde van 1304 tot 1237 voor Christus, liet zelfs in zijn graftombe een reliëf aanbrengen waarop het bakproces staat afgebeeld.

Suikerstroop in plakjes deeg

Maar de mens zou de mens niet zijn als we niet voortdurend op zoek zouden gaan naar verbetering. De oude Grieken zetten zo’n 500 jaar later dan ook al heel wat verfijndere baksels op tafel, zoals hun placites: heel dunne plakjes deeg met daartussen een laagje suikerstroop. Herkennen we daar niet ons bladerdeeg en de mierzoete baklava in? Het is trouwens de vraag of de Grieken hun bakkunsten geheel op eigen kracht hebben ontwikkeld. Het is heel goed mogelijk dat die mede te danken zijn aan de strijdlustige koning Alexander de Grote. In 331 voor Christus versloeg hij de Perzische koning Darius III. Daarbij maakte Alexander onder andere vijftig Perzische koks en banketbakkers buit. Waarschijnlijk bakten zij – en hun voorouders – in hun moederland al placites in allerlei varianten en brachten ze de Grieken de kneepjes van het vak bij.  

De eerste cheesecake

Een kleine 150 jaar later was het opnieuw een oorlog die het bakken verder opstuwde in de vaart der volkeren. Volgens historici bakten de Romeinen oorspronkelijk alleen maar brood en zijn ze pas gebak gaan maken na hun verovering van Griekenland. Tot de oorlogsbuit behoorden Griekse bakkers en banketbakkers, inclusief hun recepten. De extravagante feestmalen waar de Romeinen dol op waren, kregen er ineens een heel nieuwe dimensie bij. Dankzij Lucius ­Licinius Lucullus, een veldheer én lekkerbek die alle recepten door zijn keukenstaf liet opschrijven, weten we dat er bijvoorbeeld gesmuld werd van artologanus, een gebak van Griekse afkomst dat gemaakt werd met bloem, olie, melk, wijn en peper. En niet te vergeten placenta: geen moederkoek, maar een soort cheesecake van honing en kaas op een bodem van deeg.

Muzikale verrassingstaart

De kunst van het banketbakken bereikte ­dankzij de Romeinen ook Noord-Europa. Hier ontwikkelde de patisserie zich verder. In de middeleeuwen moest gebak indruk maken, in het oog springen, alle zintuigen prikkelen. De adel ­scoorde bij diners vooral hoog met de ­‘levende taart’ waaruit bij het aansnijden ­konijnen ­huppelden of vogels vlogen. De meest extravagante levende taart werd ­ongetwijfeld geserveerd tijdens een feestmaal dat de hertog van Bourgondië gaf aan het eind van de 14de eeuw. Terwijl de gasten een orkest hoorden spelen, bleken er in de taart – die ­gigantisch moet zijn geweest – een 28-koppig orkest en een jonge vrouw te zitten.  

Modern en luchtig

De echte vooruitgang in de patisserie hebben we vooral te danken aan nieuwe producten en technieken. Zoals de uitvinding van de gesloten oven met regelbare temperatuur, waarin het beslag kan rijzen en bruin worden. Een andere doorbraak was de ontwikkeling van het bakpoeder, in de 19de eeuw, waardoor taarten nog luchtiger konden worden. Het schijnt dat de oude Egyptenaren ook al een soort bakpoeder gebruikten. Niet in hun taarten, maar als schoonmaak­middel. Een gemiste kans voor hun tartelettes!

Bron(nen):