De mooiste wandelhotels

Een dag wandelen is leuk, maar John Jansen van Galen blijft liever overnachten, zodat hij voor het borreluur kan neerstrijken in de ouderwetse gelagkamer van een wandelhotel.

Aan het eind van de middag dalen we af uit de bossen op de stuwwal langs het brede Rijndal. De hele dag is het op en af gegaan tijdens onze wandeltocht – niet voor niks heet het hier Berg en Dal – over de heuvels, door smalle beekdalen en langs glooiende weiden, die een weids uitzicht bieden op het Reichswald en, aan de overkant van de rivier, op het Montferland. We zijn moe geworden. Dan zien we in het dorp beneden ons een witte ­gevel oprijzen met in zwarte letters de naam van het hotel waar we de nacht zullen doorbrengen: ’t Spijker! Even later zitten we er onder de brede houten veranda, waarvoor vroeger de tram naar het Duitse stadje Kleve stopte, drinken we wijn en bier en mogen we onze consumpties van de ober zelf bijhouden op een blocnotevelletje.De volgende morgen na het ontbijt verlaten we het dorp te voet aan de andere zijde, de weidse Ooijpolder in. De klok van het oude kerkje luidt negen, de wereld is nog stil, fris en bijna transparant.

Tintelend platteland

Wij mogen graag een dag wandelen, maar nog liever méér dagen wandelen. Zoals ze logeren in Suriname ‘eten met blijven’ noemen, gaat onze liefde uit naar ‘lopen met blijven’. Dan arriveer je na een lange wandeling niet op je uitgangspunt, maar in een dorp dat je voorheen onbekend was – wat de schrijver en Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul ‘het raadsel van de aankomst’ noemt – en strijk je voor het borreluur neer in een ­ouderwetse gelagkamer. Je grasduint in de plaatselijke krant en maakt na de maaltijd nog een avondwan­deling door straten waar iedereen de gordijnen open heeft, zodat je, om met Wim Sonneveld in het liedje Het Dorp te spreken, kunt zien ‘hoe of het bankstel staat bij Mien en d’r dressoir met plastic rozen’. Als we eraan denken, checken we de tijden van het ontbijt. Want het is vooral het ’s ochtends heel vroeg door een verstild en tintelend platteland gaan waar we nooit genoeg van krijgen.

Verregende wandelaars

Een stukje zuidelijker zwerven we in Zuid-Limburg op de bonnefooi een dag lang rond, met panorama’s tot ver in België en Duitsland, hellingen vol daslook, houtvakwerkboerderijen, holle wegen met dassenburchten, kapelletjes met Jezusbeelden. Diep onder ons doemt tegen vijven de spits van een kerk op, met de meiboom ernaast. Het pad voert nu steil omlaag via ‘stegelkes’, de klassieke Limburgse draaihekjes, door weiden vol roodbont vee, dan via een smalle steeg Noorbeek in en schuin tegenover ons ligt Herberg Sint Brigida, met kroonluchtertjes in de bomen boven het terras. En ja, er is voor ons nog plaats in de herberg. De maaltijd is er voortreffelijk en verkwikt lopen we de volgende, zonovergoten ­ochtend de Belgische grens over en de Voerstreek in. O, het gaat niet altijd van een leien dakje. Vaker dan je zou denken zijn hotels en B&B’s volgeboekt en soms treffen we het slecht. Dan hangt het logement vol briefjes van wat alle­maal moet en niet mag (‘douchen tussen 7.15 en 8.00 uur’). Doorweekt van aanhoudende buien kwamen we aan in het kustdorpje Ter Heijde in het Westland, en de misprijzende blikken van de recep­tioniste onderstreepten dat men daar geen trek had in verregende wandelaars.

Welkom in Wapse

Het kan ook gebeuren dat het dorp iets te vieren heeft, uitgerekend in het hotel waar je geboekt hebt. Te Brouwershaven op Schouwen-­Duiveland werd het mij ten slotte te gortig en stond ik om drie uur ’s nachts met mijn blote voeten in een plas bier te vragen of het iets zachter kon. Of dat hotelletje bij het Brabantse Oisterwijk, waar we ’s morgens opgewekt plaatsnamen voor het ontbijt, om even later een ouder echtpaar als aan de grond genageld naar ons te zien staren: “Ze zitten aan ons tafeltje!” Als je na zulke benauwenis uitcheckt, voel je je als een gevangene die weer op vrije voeten is. Dat nemen we allemaal voor lief. Er staat zoveel tegenover. Nooit vergeten we hoe we op een voettocht door Drenthe in een hotel begroet werden met een stralend: “Welkom in Wapse!” Ook zijn we vaak heel tevreden met een groot en onpersoonlijk handelsreizigershotel bij de afrit van een autoweg – als het maar in de buurt van het wandelpad ligt.

Wakker worden in het bos

Het mooist logeerden we misschien wel in Bellevue, hoog boven het ­Zuid-Limburgse Simpelveld, met verbijsterende uitzichten tot voorbij Aken. Alleen konden we er, in de zomerhitte, niks drinken op het terras omdat ze dat aan het ‘opdekken’ ­waren voor het diner. Daar zien ze ons dus niet gauw terug. Nog heter was het toen we bij hotel De Bokkepruik in Hardenberg in Overijssel aankwamen, maar ook daar kreeg je buiten niets te drinken vanwege wat men daar ‘indekken’ noemde. We vluchtten weg naar een terras aan de Vecht en brachten gedrieën, van elkaar gescheiden door een kamerscherm, de nacht door in een vertrekje boven een winkel. Het ontbijt stond al klaar in de ijskast. Zo zijn er altijd verrassingen, maar meestal zijn het goede. Het eerste logies dat we ooit als wandelhotel boekten, was De Zwarte Boer te Leuvenum op de Veluwe. Toen nog simpel, nu geüpgraded tot ‘boutiquehotel’, maar gelukkig binnen nog even rustiek. We ontwaakten er met alleen het geluid van kwinkelerende vogels en het ruisen van boombladeren – en dat is wat de stadsmens wil: wakker worden in het bos. En Hotel De Wageningse Berg is ­weliswaar een foeilelijk gebouw, maar als je zoals wij op de hoogste verdieping logeert, zie je aan de ene kant uit op de Betuwe en aan de ­andere kant over de Gelderse Vallei. En weet je wat het mooiste is van ‘lopen met blijven’? Als je daarna terugkeert in je woonplaats is het – al bleef je maar één nachtje weg – alsof je lang en ver van huis was en een echte vakantie beleefde.

Bron(nen):