Gekort op de AOW, wat nu?

AOW wordt opgebouwd in de vijftig jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd. Wat veel mensen zich niet realiseren: voor ieder jaar opbouw dat je mist omdat je in het buitenland hebt gewoond of gewerkt, wordt de AOW later met 2% gekort. Het aantal AOW’ers met zo’n gekort AOW-pensioen groeit.

Mijn man heeft zes jaar gevaren voor Luxemburg, maar hij heeft altijd in Nederland gewoond. Hij wordt nu 12% gekort op zijn AOW”, meldt een lezer. De man van een andere lezer heeft vijftien jaar in Amerika gewoond. Zijn AOW wordt 30% gekort.

Weer een andere heeft als 20-jarige twee jaar in Duitsland gewerkt. Nu wordt zijn AOW met 4% gekort. Of neem de vrouw die tot haar 17de op Aruba heeft gewoond, ze heeft Nederlandse ouders, kreeg Nederlands onderwijs, maar krijgt nu een korting op haar AOW. 

Een ander heeft zijn leven lang op Nederlands grondgebied gewoond, en krijgt nu te maken met een korting. Het is een kleine greep uit de reacties die in een paar uur zijn binnengekomen op een oproep op de Facebook-pagina van Plus Magazine.

Geen uitzondering

Een gekorte AOW is lang geen uitzondering meer. Voor het recht op een volledig AOW-pensioen moet iemand de vijftig jaar voor de AOW-leeftijd Nederlandse ingezetene zijn geweest. Ieder jaar is de opbouw dus 2%. Het is daarbij niet van belang of je schoolgaand bent, studeert, werkt of geen inkomen hebt (bijvoorbeeld omdat je de kinderen verzorgt). 

Voor het recht op AOW is het niet relevant hoeveel premie er jaarlijks is betaald. De norm is: wonen in Nederland. Daarmee bouw je rechten op. De AOW wordt namelijk betaald via het omslagstelsel: de huidige werkenden betalen AOW-premie waarmee de AOW van de huidige AOW’ers wordt gefinancierd. Die AOW-premie ­bedraagt 17,9% van het inkomen tot €34.300. AOW’ers betalen geen AOW-premie.

Wonen in Nederland betekent niet ‘wonen in het koninkrijk’, maar uitsluitend in Nederland. Wie op de Antillen woont, bouwt geen AOW op, en hetzelfde geldt voor Nederlanders die voor de onafhankelijkheid in Suriname woonden. Hoewel zij een leven lang in het koninkrijk woonden, bouwden zij geen AOW op. Hierdoor worden veel oudere Nederlanders met een Surinaamse achtergrond nu met een korting geconfronteerd.

Eén op de tien gekort

Door toenemende internationalisering stijgen gekorte AOW-pensioenen sneller dan volledige AOW-pensioenen. Zo is het aantal gepensioneerden met een gekorte AOW in Nederland vanaf het vierde kwartaal 2012 tot en met het derde kwartaal 2018 met 18,9% gestegen. Ter vergelijking: het ­aantal gepensioneerden met een volledige AOW steeg in diezelfde periode met 8,3%. 

Inmiddels ontvangt ongeveer één op de vijf AOW’ers een gekorte AOW. Iets meer dan de helft van hen woont in Nederland, de rest in het buitenland. Van de ruim drie ­miljoen AOW’ers in Nederland heeft 333.364 een gekorte AOW, ongeveer één op de tien. In 2010 waren dat er 245.150.

Van de AOW’ers in het buitenland ontvangt de grote meerderheid een gekorte AOW. Daar zitten Nederlanders tussen die decennia geleden naar Canada of de Verenigde Staten zijn geëmigreerd, maar ook Turken en Marokkanen die een aantal jaren in Nederland hebben gewerkt en terug zijn gegaan naar hun vaderland. De meeste AOW’ers in het buitenland wonen in België, Duitsland, Spanje en overige EU-landen.

De 2% korting per opbouwjaar geldt ook voor de in 2015 afgeschafte AOW-toeslag, die AOW’ers kregen voor een jongere partner zonder (voldoende) eigen inkomen. Voor ieder jaar dat de jongere partner buiten Nederland heeft gewoond, is er een korting van 2%. Wie op latere leeftijd met een jongere, buitenlandse partner trouwde, kreeg te maken met een flinke korting op de toeslag. Zodra de jongere partner zelf de AOW-leeftijd bereikt, stopt de toeslag en ontvangt de partner een eigen AOW. Wie nu AOW aanvraagt en een jongere partner heeft, heeft geen recht op een AOW-toeslag.

Aanvulling op de AOW

AOW’ers die vanwege een korting onder het bestaansminimum dreigen te zakken, kunnen bij de SVB een AIO-aanvulling aanvragen, een onderdeel van de Participatiewet. Voor de AIO-aanvulling zijn normen voor inkomen en vermogen. Het inkomen moet lager zijn dan het minimum-inkomen. Voor het spaargeld is de grens ongeveer €6000 per persoon. Bij een eigen huis is er een ruimere vrijstelling. 

Er is recht op een aanvulling als de overwaarde lager is dan €51.600. Is de overwaarde hoger, dan is de AIO-aanvulling een renteloze lening op voorwaarde dat het niet lukt om zelf een extra hypotheek bij de bank aan te vragen. Ook AOW’ers met een jongere partner zonder eigen inkomsten komen in aanmerking voor een 

AIO-aanvulling als het inkomen onder het vastgestelde minimuminkomen valt. Voor de partner geldt de wettelijke re-integratie- of arbeidsplicht. Daarnaast mogen AOW’ers met een AIO-aanvulling niet langer dan dertien weken per jaar in het buitenland zijn. 

Een jongere partner die nog geen AOW heeft, mag maximaal vier weken per jaar naar het ­buitenland.In 2018 ontvingen 46.584 AOW’ers een AIO-aanvulling. Het grootste deel van hen, 30.428, is alleenstaand. Veel alleenstaanden ontvangen de aanvulling relatief lange tijd. Zo’n 20.000 mensen van de 30.000 krijgen de aan­vulling al vijf jaar of langer.

Korting voorkomen 

Een AOW’er die nu een gekorte AOW ontvangt, heeft geen mogelijkheden meer om daar iets aan te veranderen. Mogelijk is er een ouderdomspensioen opgebouwd dat het gat compenseert of is er in het buitenland een AOW-achtige uitkering opgebouwd. Hoe dat gaat, verschilt per land. Zo meldt een lezer dat zij al vierenhalf jaar wacht op een pensioen uit Griekenland om de AOW-korting te compenseren. 

Repareren mag dan niet mogelijk zijn, nieuwe gevallen kunnen de korting op de AOW wel voorkomen door een vrijwillige AOW-verzekering af te sluiten tijdens het verblijf in het buitenland. De AOW-opbouw loopt dan door. Wie nu enkele jaren naar het buitenland gaat, kan zich bij de SVB vrijwillig verzekeren. De premie is afhankelijk van het inkomen. Bij een inkomen van €34.300 (op www.svb.nl kunt u zien wat onder ‘inkomen’ wordt verstaan) of meer kost een jaar ongeveer €5278. De minimum-premie is €527. ▪

Herbert Reinderhoff (75):

In 2011, twee jaar na zijn echtscheiding, trouwde Herbert Reinderhoff met een jongere, buitenlandse vrouw. Hij ontving op dat moment een AOW voor alleenstaanden plus een aanvullend pensioen van het ABP. Na zijn huwelijk kwam er minder geld binnen. “Je schrikt je rot als je de financiële gevolgen merkt”, zegt hij. Reinderhoffs AOW werd verlaagd naar een AOW voor een gehuwde en het ABP verlaagde zijn pensioen. Voor zijn jongere vrouw ontving hij weliswaar een AOW-toeslag, maar die werd fors gekort omdat zij het grootste deel van haar leven in het buitenland had gewoond. “We krijgen in ieder geval nog een toeslag, inmiddels is die afgeschaft (voor nieuwe gevallen, red.).”

De verlaging van zijn ABP-pensioen heeft te maken met de inbouw van de AOW. “Het ABP rekent dat er twee keer AOW voor een gehuwde binnenkomt of één keer AOW plus een toeslag, maar wij ontvangen slechts één gehuwden-AOW en een gekorte toeslag. Dat is bij elkaar veel minder dan voor een alleenstaande. Ik had gerekend op 70% van mijn laatstverdiende loon, wat het ABP mij altijd heeft beloofd. Maar per saldo krijgen we als echtpaar nu nog maar 55%. Als gezin met één kind krijgen we nu veel minder dan ik als alleenstaande zou ontvangen.

Ik vind dat onrechtvaardig en voel me door het ABP bedrogen. Die kort op een AOW-bedrag dat ik helemaal niet krijg.” Wat ook steekt: “Als ons inkomen boven de €2827 bruto per maand uitkomt, wordt de AOW-toeslag verlaagd. Maar nu mijn AOW en pensioen naar beneden zijn gegaan, wordt dat niet gecompenseerd. Als je aan de bel trekt bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, krijg je te horen dat je vrouw maar moet gaan werken. Dat is lastig, want werkgevers vinden haar te oud – ze is 42 – en ze heeft gezondheidsproblemen.”

Hij heeft uitgerekend wat in een theoretisch geval van een echtscheiding zou gebeuren. Zijn AOW en pensioen zouden omhoog gaan en zijn vrouw zou recht krijgen op een extra kindgebonden budget. Netto zouden ze er flink op vooruitgaan. “Dat kan toch nooit de bedoeling zijn. Het zou op zijn minst redelijk zijn wanneer je als gezin minstens evenveel krijgt als een alleenstaande, maar nooit minder.”

Bron(nen):