PlusOnline.nl maakt gebruik van cookies: functioneel, om instellingen en voorkeuren te onthouden, voor beter en eenvoudiger navigeren en inloggen; analytisch, om bezoeken bij te houden en te bestuderen; voor commerciële doeleinden, om bij te houden hoe vaak bepaalde advertenties zijn getoond en geklikt; voor targeting doeleinden, om advertenties op uw interesses te kunnen aanpassen en zodat andere sites ook gerichte advertenties kunnen tonen. Door hiernaast op akkoord te klikken, of door gebruik te blijven maken van deze website gaat u hiermee akkoord. Lees voor meer informatie ons Cookiebeleid.

Akkoord

10 vragen over erectiestoornissen

Naarmate een man ouder wordt, neemt de kans op een erectiestoornis toe. Dat is een puur lichamelijke kwestie. Of niet? En wat is er nu écht aan te doen?

1. Hoe vaak komen erectiestoornissen voor?

Dat verschilt per leeftijd. Uit drie Nederlandse onderzoeken blijkt dat gemiddeld 14 procent van alle Nederlandse mannen er last van heeft. Onder jonge mannen is dat minder dan 5 procent, in de leeftijdsgroep van 41 tot 50 jaar 14 procent, bij mannen tussen 51 en 70 30 procent en bij 71- tot 80-jarigen is het zelfs 42 procent. Slechts weinig mannen gaan ervoor naar de huisarts. Nog geen vier van de duizend consulten gaan over erectieproblemen. Dat komt niet alleen door schaamte; oudere mannen ervaren het minder vaak als een probleem en zoeken er dus geen hulp voor.

2. Wat is het precies?

De officiële definitie: het voortdurend of terugkerend onvermogen een erectie te krijgen of te behouden die voldoende is voor seksuele activiteit. Deze omschrijving van ‘standaard erectiele disfunctie’, zoals de officiële naam luidt, is opgenomen in de richtlijnen van het Nederlands Huisartsen Genootschap. De richtlijn verscheen in 2008 en is de eerste voor huisartsen over dit onderwerp.

3. Waar wordt het door veroorzaakt?

Erectieproblemen kunnen een lichamelijke of psychische oorzaak hebben, of een combinatie van die twee. Op jonge leeftijd spelen psychische invloeden vaak een grotere rol, op latere leeftijd zijn lichamelijke problemen waarschijnlijker. De precieze aard van de problemen kan duidelijkheid geven over de oorzaak. Als de man in kwestie wel ochtenderecties heeft en een erectie kan krijgen bij zelfbevrediging en als de problemen plotseling beginnen, duidt dat op een overwegend psychische oorzaak, zoals onzekerheid over seksueel presteren of faalangst. Beginnen de problemen veel geleidelijker en zijn er ook geen ochtenderecties én geen erecties tijdens masturbatie, dan ligt een voornamelijk lichamelijke oorzaak meer voor de hand, bijvoorbeeld een minder goede doorbloeding in de penis.

4. Wat is er te doen aan een psychische oorzaak?

Gelukkig veel. De huisarts zal eerst proberen door voorlichting en gesprekken het probleem aan te pakken. Hij geeft voorlichting over het natuurlijke gegeven dat erecties met het klimmen van de leeftijd minder hard worden, minder lang duren en moeilijker totstandkomen. En ook faalangst komt ter sprake: niets zo fnuikend voor het krijgen van een goede erectie als de angst om geen erectie te kunnen krijgen. In begeleidende gesprekken onderzoekt de arts of stress of vermoeidheid misschien aan de problemen bijdragen en hoe daar iets aan kan worden gedaan. Ook bespreekt hij de (seksuele) relatie: zijn er problemen in de relatie, hoe reageert de partner op de erectieproblemen en welke ideeën en verwachtingen hebben beiden over seks? Zo kunnen eventuele misverstanden worden opgehelderd, bijvoorbeeld dat opwinding altijd onmiddellijk tot een erectie leidt. Daarnaast kunnen ontstane patronen, bijvoorbeeld een routinematig verlopend voorspel dat niet langer volstaat om een erectie te krijgen, worden doorbroken en verwachtingen bijgesteld. De huisarts zal deze gesprekken overigens meestal niet zelf voeren, maar patiënten doorverwijzen naar een seksuoloog. Soms kan het gebruik van een erectiepil helpen om bepaalde patronen en faalangst te doorbreken.

5. En bij lichamelijke problemen is er een pil?

Ja, maar niet alléén. Ook als de oorzaak lichamelijk is, blijft voorlichting belangrijk, bijvoorbeeld om verwachtingen bij te stellen: een man van 60 heeft nu eenmaal doorgaans niet meer zo’n vlotte en harde erectie als een man van 35, om maar iets te noemen. Als medicatie te weinig effect heeft, kunnen aanvullende begeleidende gesprekken uitkomst bieden.

6. Wat kan een man zelf doen?

Het belangrijkste: meer bewegen. Dat is de enige maatregel die volgens wetenschappelijk onderzoek bijdraagt aan het oplossen van erectieproblemen. Andere maatregelen, zoals stoppen met roken of afvallen, zorgen wel dat stoornissen niet verergeren, maar zullen ze niet vermínderen. Meer bewegen is goed voor de vaten en goede vaten zijn weer cruciaal voor het krijgen van een goede erectie. Stoppen met roken en overgewicht aanpakken, is óók goed voor de doorbloeding, maar de schade die roken en overgewicht aanrichten, is niet zo makkelijk ongedaan te maken en draagt dus ook niet bij aan het oplossen van erectieproblemen. Trouwens, ‘meer bewegen’ is je houden aan de norm van dertig minuten per dag matig intensieve beweging. Er hoeft dus niet eens een sportschool aan te pas te komen!

7. Kun je ook wachten tot het vanzelf over gaat?

Kun je doen, maar de kans op succes is niet groot. Bij oudere mannen nemen problemen vaak toe, simpelweg door het ouder worden. Bij jongere mannen, bij wie er vaker een psychische oorzaak in het spel is, kunnen de problemen verergeren door faalangst, die met de tijd steeds sterker kan worden. Kortom: hoe langer een erectieprobleem bestaat, hoe moeilijker het wordt het tij te keren. Toch maar liever naar de huisarts gaan dus.

8. Maar hoe begin je bij de huisarts over zoiets?

De meeste huisartsen zullen er echt niet van opkijken als u een vraag stelt over seksualiteit. Huisartsen weten dat bepaalde ziektes of medicijnen invloed hebben op het libido, de zin in seks, of op het vermogen een erectie te krijgen, net als ze natuurlijk weten dat oudere mannen vaker erectiestoornissen hebben. Probleem is wel vaak dat zowel huisarts als patiënt het onderwerp vermijden. De huisarts moet professioneel genoeg zijn het ter sprake te brengen, maar de patiënt heeft ook een verantwoordelijkheid klachten te melden als die er zijn.

9. Klopt het dat je meer kans hebt op hart- en vaatziekten als je een erectiestoornis hebt?

Ja, dat klopt, maar de kans is maar ietsje groter. Iemand die met erectiestoornissen op het spreekuur komt, krijgt dan ook niet meteen onderzoek naar eventuele hart- en vaatproblemen. Eigenlijk werkt het vooral andersom. Iemand die bijvoorbeeld een hartinfarct heeft gehad, heeft blijkbaar al vaatproblemen die ook de kans op erectiestoornissen kunnen vergroten. Tegelijkertijd is hij vaak bang voor de inspanning die seks met zich meebrengt en door die angst kan het probleem verergeren. Kennis kan die angst vaak verminderen. Goed om te weten: seks is beweging en dat is juist prima voor hartpatiënten!

10. Als je bijvoorbeeld diabetes hebt, vraagt je huisarts dan automatisch naar erectieproblemen?

Die kans zit er wel in ja. Maar ook mensen die een andere aandoening hebben die de kans op erectiestoornissen vergroot, zoals depressie met het gebruik van anti-depressiva, hart- en vaataandoeningen met het gebruik van middelen tegen hoge bloeddruk of een andere chronische ziekte zal hij vragen of er problemen zijn. Vaak hebben zij wel problemen, maar praten ze er niet over. Huisartsen proberen hen te bereiken door ze er direct naar te vragen. Maar natuurlijk hoeft u niet op de vraag in te gaan als u dat niet wilt, of als u wel een erectiestoornis heeft maar dat niet als een probleem ervaart.  Het mooie is natuurlijk: wilt u het onderwerp ooit ter sprake brengen, dan weet u dat uw huisarts er in ieder geval voor openstaat.

Met medewerking van Peter Leusink, huisarts en seksuoloog NVVS (www.nvvs.info)

Bron(nen):