Kijk pap, een olifant!

Bas van Oort (31) ging met zijn vader Bart (59) naar Zuid-Afrika. Samen reden ze de beroemde Garden Route (in het Afrikaans: de Tuinroete), langs de kust van Kaapstad naar Port Elizabeth.

"Het gaat gewoon niet meer", zegt mijn vader na ruim twee uur klimmen. We zijn pas halverwege de top van de Tafelberg, maar hij is erbij gaan zitten. Het zweet gutst van zijn hoofd, z’n poloshirt is doorweekt. "Probeer te blijven staan", houdt gids Margaret de moed erin, terwijl ze hem een flesje ­water aanreikt. "Je kunt beter in een heel rustig tempo doorlopen dan continu stoppen en opnieuw beginnen, want dat kost veel meer energie."

Mijn vader kijkt nog eens naar beneden, waar Kaapstad langzaam ontwaakt in het ochtendlicht. Vervolgens omhoog, naar de vervaarlijke rotsen en de steeds blauwer wordende lucht. Hij zucht. "Moeten we daar ­helemaal heen?" "Wanneer heb je voor het laatst zo’n bergwandeling gemaakt?" vraag ik, en ik kom op de rots naast hem zitten. “Nog nooit”, klinkt het gedecideerd.

Ik denk aan vroeger, aan onze vakanties in de bergen van Zwitserland en Slovenië. Heel gewone familievakanties, en juist daarom werden het later zulke fijne herinneringen. Dan kampeerden we, werden mijn broer en ik met de afwas naar het toilethuisje gestuurd en lazen mijn vader en moeder een boek voor de tent, in van die lage campingstoeltjes. We gingen óók wandelen. Niet van hut naar hut, geen lange trektochten, maar wel flinke hikes. Dan was ik degene die vroeg of het nog ver was, en spraken mijn ouders míj bemoedigend toe. Vroeger is lang geleden, constateer ik als we samen naar de Atlantische Oceaan staren.


Vader Bart volgt gids Margaret naar de top van de Tafelberg: “Stapje voor stapje, dan komen we er wel.”

Met kleurboek op de achterbank

Als kind is het simpel: je ouders gaan op vakantie en jij gaat met ze mee. Eerst met een kleurboek op de ­achterbank, later onderhandelend over de juiste verdeling tussen ­zwembad en cultuur. Maar op een gegeven moment houdt het op. De laatste keer dat ik met mijn vader op reis was, moet een jaar of twaalf ­geleden zijn geweest. In de zomer ­nadat mijn moeder overleed waren we in Portugal. Daarna ben ik zelf veel gaan reizen. En altijd reist mijn vader vanuit huis mee. Hij volgt me op de voet, staat steevast op Schiphol als ik lang weg ben geweest en wil nog elke keer een sms’je als ik ergens ben geland.

Zelf is hij nog nooit buiten Europa geweest – de periode dat mijn opa en oma in Nigeria woonden niet meegerekend. Mijn vader was toen 3 jaar. Dus vroeg ik hem mee naar Zuid-Afrika, niet zomaar een bestemming. Het is het lievelingsland van mijn grootouders en mijn broer ging er op huwelijksreis.

De verhalen over Stellenbosch kent mijn vader maar al te goed, net als de foto’s van plekken als Oudtshoorn of Swellendam. Het leukst, vonden we allebei als we de reisverhalen van mijn grootouders hoorden, was de taal. Dan kwam mijn opa met woorden als hijsbakkie (lift) of sukkelgras (de rough bij golf, waar de bal dus niet moet belanden) en lazen we met veel plezier de kerstkaart van hun Zuid-Afrikaanse vrienden.

Maar nu, halverwege de Tafelberg, is het even niet meer zo leuk. Een paar jonge wandelaars komen voorbij. "Die lijken nergens last van te hebben", mijmert pa. Margaret blijft ondertussen tips geven. "Als het steil is, gewicht naar voren en je handen gebruiken voor steun. Voor de rest: stapje voor stapje. Dan komen we er vanzelf."

Op de top gaat het mis. Duizelig, moe, benen die niet meer willen. En dan vliegt ineens het ontbijt eruit. Het blijkt op te luchten. En het feit dat we er zijn ook. Het uitzicht wint het nu van het afzien en met zijn camera schiet hij snel wat foto’s. "Kijk", wijst hij. "Daar zie je Robbeneiland liggen."

Als we op een bankje zitten, zegt hij: "Misschien is het maar goed dat je me gewoon hebt meegenomen omhoog. Anders had ik zoiets nooit gedaan." Dan rolt er een traan over zijn wang. We hebben allebei een gelukkig moment, maar het stukje verdriet zal nooit helemaal weggaan. We zaten hier het liefst ook met mijn moeder.


Samen op de top van de Tafelberg, ontroerd én gelukkig.

Zomerzon door het autoraam

Met wat spierpijn in de kuiten stappen we de volgende dag in de auto naar Stellenbosch, waar een wijntour per fiets wacht. De dag erna rijden we verder naar het oosten, en terwijl Paul Simon Under African Skies zingt, wisselt het landschap gestaag van kleur en vorm. Dit zijn de momenten dat het even voelt als toen. Muziek op, de zomerzon door het autoraam. Alleen zit ik nu niet meer achterin, maar rij ik.

Soms praten we over vroeger, soms over wat er nog gaat komen. Maar net zo vaak kijken we. Naar buiten. De uitgestrekte wijngaarden maken plaats voor ruige bergen. Laten we die achter ons, wachten er glooiende akkers tot ver voorbij de horizon. Tot het in de buurt van Swellendam weer groener wordt en er een nieuwe bergketen opdoemt, die als prachtige achtergrond dient voor het stadje vol witte huizen in oud-Hollandse stijl. Daar worden we hartelijk ontvangen door Carla en Maarten van der Ven, een Nederlands echtpaar dat nu een prachtig hotel in Zuid-Afrika bestiert.

"Van Oort", zegt Carla, "die naam komt me bekend voor." Mijn vader glundert. "Dat kan wel kloppen ja, mijn oudste zoon was hier een paar jaar geleden tijdens z’n huwelijksreis." We praten wat verder en leggen uit dat we aan een heuse vader-en-zoon-reis bezig zijn, dwars door Zuid-Afrika. Nu is het Maarten die glundert. "Zo’n prachtige ervaring met je zoon, dat is toch geweldig. Ik zou het liefst morgen met die van mij hetzelfde gaan doen."


Een dikhuid met een hoorn op zijn neus.

Zebra’s, buffels, bavianen...

Ook na Swellendam blijkt de diversiteit van de Garden Route. In de ruim 750 kilometer tussen Port Elizabeth en Kaapstad wisselen bergen, strand, ruige rotskust en uitgestrekte vlaktes elkaar af. Tot we bij onze laatste stop komen, de meest speciale. ­Tijdens een tweedaags verblijf in de Kuzuko Lodge, midden in het Addo Elephant National Park, gaan we op safari. Achter in de four-wheel drive van ranger Jonathan doorkruisen we de heuvelachtige steppe bij ­zonsopkomst en zonsondergang. Het uitzicht betovert, net als de ­zebra’s, struisvogels, buffels en ­bavianen die we onderweg zien.

Op de eerste ochtend staan we oog in oog met twee leeuwen en ’s avonds drinken we een biertje terwijl de zon vuurrood achter de heuvels ­verdwijnt. Op dag twee, na een urenlange speurtocht van Jonathan, stijgt de spanning. De olifanten zijn gespot. Jonathan: "Dat klinkt misschien gek, voor zulke grote beesten, maar het park is zo immens dat we ze soms dagen niet zien." We hebben geluk, en komen op slechts tientallen meters van een mannetje dat rustig van een boom aan het eten is. "Kijk, pap, een olifant!" Een olifant in het wild, voor het eerst.


Zebra’s in een betoverend, rustgevend decor.

Als onze spullen gepakt zijn voor de terugreis en we voor vertrek nog een laatste blik op het landschap werpen, zegt mijn vader: "Weet je, kerel, ik vond het een geweldige reis. En ontzettend bijzonder om hier te zijn. Maar ik denk dat een weekje België net zo speciaal zou zijn. Het allermooist is het toch dat we dit ­samen doen."

Zuid-Afrika praktisch

  • Kaapstad ligt op ruim elf uur vliegen van Schiphol. Vluchten vind je onder andere via: www.google.nl/flights
  • Tijdsverschil: in de (Nederlandse) zomer een uur, in de winter geen.
  • Geld: in Zuid-Afrika betaal je metde rand, 1 euro = ong. 16 rand. Het prijsniveau ligt een stuk lager dan in Nederland.
  • Vervoer: een huurauto, ook binnen Kaapstad, is zeer aan te raden.
  • Meer informatie: www.southafrica.net en www.mijnzuidafrika.nl

Bron(nen):