Het is oppassen geblazen!

Een derde van alle grootouders past tegenwoordig een dag in de week of meer op hun kleinkinderen en dat is twee keer zoveel als twintig jaar geleden. Hoe komt dat en hoe vinden we dat? Alleen maar leuk of ook weleens lastig en zwaar?

“Ik wil ook zo’n moeder!”, riep een vriendin van mijn dochter spontaan toen ze hoorde hoe het bij ons gaat. Elke woensdagochtend vroeg sta ik bij de school van mijn kleinzoon. Daar ontmoet ik mijn dochter, die het jongetje inmiddels naar zijn klas heeft gebracht. Kleindochter van bijna 3 wordt ter plekke aan mij overhandigd. Kleinzoon van bijna 5 haal ik aan het eind van de ochtend van school. ’s Middags gaan we spelen, knutselen, fietsen, schommelen, voorlezen. Woensdagnacht blijven ze slapen en donderdagochtend breng ik ze naar school en crèche. Tussen de woensdagen door komen er ook de nodige verzoeken om oppas meestal in de weekends, als mijn dochter uit wil.

Dat is mijn Amsterdamse oppasleven. Ik heb ook nog een Rotterdamse kleinzoon, negen maanden oud, op wie ik zo’n twee tot drie dagen per maand pas als de drukke schema’s van werk en studie van mijn zoon en schoondochter daarom vragen. De reis heb ik er graag voor over. Maar heel soms heb ik het gevoel dat ik mijn schrijfwerk tussen de oppasdagen in moet proppen.

Ik ben niet de enige

Grootouders worden zelfs vaker ingeschakeld dan crèches en buitenschoolse opvang, blijkt uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau: in ruim 40 procent van de gezinnen, tegenover bijna 30 procent die gebruikmaakt van formele opvang. Ruim een derde van de Nederlandse oma’s past regelmatig op en een kwart van de opa’s. Dat is veel meer dan vroeger: twee keer zoveel als twintig jaar geleden. Hoe komt dat zo, die forse toename?

“Er zijn domweg meer oma’s en opa’s omdat mensen langer leven”, zegt Pearl Dykstra, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Univer-siteit Rotterdam, “en er zijn veel meer werkende moeders. Dus de vraag naar oppassende groot-ouders is groter en het aanbod ook. Vanaf het begin van de jaren ’90 is de arbeidsparticipatie van vrouwen omhooggeschoten en precies in diezelfde tijd zie je het percentage mee-zorgende grootouders ook sterk stijgen.”

Uit onderzoek blijkt, zegt ze, dat de kwaliteit van de relatie tussen grootouders en kleinkinderen blijvend beter wordt door dat mee-zorgen aan het begin. Maar als oma’s minder gaan werken om voor hun kleinkinderen te zorgen, vindt Dykstra dat macro-economisch gezien geen goede zaak. “Ze verdienen dan minder, bouwen minder pensioen op en dat komt neer op kapitaalverlies. Dat is dure oppas.”

Maar er zijn toch waarden die belangrijker zijn dan geld? Als ik mijn kleindochter naar de crèche breng en zij klampt zich aan mij vast voor een afscheidsknuffel, denk ik vaak: kon ik haar vandaag ook maar thuishouden. Bij mij is het veel knusser dan in die drukke opvang met al die schreeuwerige jongetjes en altijd wel ergens een huilend kind. Dykstra is niet onder de indruk. “Het kan ook saai zijn hoor, bij oma en opa thuis. Zeker voor wat oudere kinderen is de buitenschoolse opvang spannender. Daar hebben ze ook hun vriendjes.

”Zij is juist groot voorstander van formele opvang. “In landen waar veel vrouwen werken en de opvang goed geregeld is, zoals in de Scandinavische landen en Frankrijk, worden tegenwoordig veel kinderen geboren. Waar de opvang slecht is, blijft het kindertal achter.”Maar uit onderzoek blijkt ook: de kans dat er een tweede kind komt, stijgt aanzienlijk als het eerste welkom is bij oma en opa. Dus als grootouders bijspringen, verhoogt dat zelfs het aantal kinderen dat geboren wordt.

Maar er is ook een schaduw­zijde

Oma’s praten daar niet graag over, maar als we onder elkaar zijn en er begint er eentje openhartig te praten over die andere kant van het oma-schap, komen de verhalen meestal wel los.

Wat mij betreft. Ik wil natuurlijk de perfecte grootmoeder zijn, maar dat ben ik niet. Meestal zijn ze lief en schattig, maar soms, als de kleintjes lastig zijn, word ik ongeduldig en ik heb zelfs al eens een tik uitgedeeld. Dan zit ik toch met een schuldgevoel. Ik vind namelijk dat ik altijd sereen en kalm zou moeten zijn. Als ze bij mij zijn, zouden mijn kleinkinderen zich dan ook als bij toverslag perfect moeten gedragen, alleen al door mijn superieure uitstraling of zo. Nou, mooi niet. Ze hebben soms driftbuien, ze gooien dingen op de grond, ze weigeren hun bord leeg te eten, ze maken enorme rommel, ze doen eigenlijk alles wat normale kleine kinderen doen. Ga er maar aan staan.

Een vriendin van me, ook oma van drie, vertelde me dat ze chronische hoofdpijn krijgt als ze te vaak oppast, net als in een vroegere periode toen ze een burn-out had. Ze zou misschien vaker nee moeten zeggen, maar dat is niet zo eenvoudig – je moederkloekgevoelens komen in het geding. “Ik vind het zoveel erbíj, die jonge gezinnen met al hun sores”, zei ze. “Dan weer een valpartij met een tand door de lip, dan weer eczeem of koorts, niks ernstigs, maar er is altijd wat en dat houdt me dan weer zo bezig dat ik mijn innerlijke rust kwijtraak.”

In een cartoon van Peter van Straaten zie je een uitgeputte vrouw zitten in een zee van speelgoed en boekjes, terwijl een monter klein jongetje haar vraagt: “Ben je moe, oma?” Een maar al te herkenbaar beeld. Kortom: we zijn niet van staal, we zijn een dagje ouder en niet ongevoelig voor de stress die het oppassen met zich meebrengt.
Het is kenmerkend voor hoe het gaat binnen families, vindt Dykstra. “Je doet het toch. Als je kinderen je hulp nodig hebben, dan spring je in. Je blijft ook ouder voor je kinderen als ze volwassen zijn: je wilt ze bijstaan en de beste kansen geven.”

Ook conflicten tussen grootouders en ouders over de opvoeding zijn niet uitgesloten. Beide partijen doen natuurlijk hun uiterste best om die te voorkomen, want we hebben elkaar nodig. Toch smeult er soms iets. Volgens mij krijgen mijn kleinkinderen te veel snoep en zitten ze te vaak voor de televisie – in elk geval meer dan ik vroeger goed vond. Ik doe mijn uiterste best om mijn kritiek voor me te houden en vaak bijt ik op mijn tong, maar soms floept er zomaar iets uit.

Ook van vriendinnen hoor ik dat er weleens spanningen zijn rond opvoedkwesties. Soms is de kritiek dat de grootouders te veel verwennen, maar doorgaans zijn grootouders juist iets strenger dan moderne ouders. We zijn zelf immers nog ‘oude stijl’ opgevoed, een halve eeuw geleden, en dat was heel anders dan het nu gaat.
Toch vinden de meeste grootouders hun eigen stijl van oppassen. En wat blijkt: de relatie tussen kinderen en grootouders kan wel tegen een stootje. “Mijn schoonvader is heel streng”, vertelde een vader van 40 me, “op het barse af. Toch zijn onze kinderen dol op hem.”

Alles bij elkaar lijkt het erop dat er dankzij die werkende moeders van nu iets hersteld wordt dat verloren leek: de band tussen de generaties. Het kerngezin bestaande uit twee ouders en hun kinderen maakt langzaam plaats voor een diffuser, breder familieverband, waarin ook de oudere generatie volop meeleeft. Wij doen ertoe, voor de jeugd, en wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat is pure winst en wel wat stress en spanning waard.

Lees ook:

Bron(nen):
  • Plus Magazine