Hoe groot is de kans op een witte kerst?

Afgelopen zomer was de heetste in ruim 300 jaar, met een recordaantal warme dagen en extreme droogte. Raken we nu ook de winterkou kwijt? Hoogleraar en KNMI-klimaatonderzoeker Bart van den Hurk beantwoordt deze vraag en geeft – speciaal voor Pluslezers – een college over de opwarming van de aarde.

De winter staat weer voor de deur. Tijd om de slee van zolder en de schaatsen uit het vet te halen. Of toch niet? De wereld wordt steeds warmer, ook in de winter. De kans op langere perioden met extreme kou en dus mogelijk een Elfstedentocht neemt sterk af: van zo’n 15 procent nu tot minder dan 2 procent in 2050. Dat wil dus niet zeggen dat we nooit meer een Elfstedentocht krijgen, het zal wél steeds uitzonderlijker worden. Maar krijgen we een witte kerst of blijft het bij dromen? Laten we, voor ik terugkom op deze vraag, eerst een paar maanden teruggaan, naar de zomer van 2018. Het was niet alleen een van de warmste zomers ooit, het was ook uitzonderlijk droog. Sterker nog, sinds we in De Bilt zijn begonnen met meten – ruim honderd jaar geleden – is het op 1 augustus nog nooit zo droog geweest.

Toch zou het mij verbazen als dit record niet ­binnen de komende twintig, dertig jaar zal worden gebroken. In de nabije toekomst, zo wijzen de klimaatmodellen uit, zullen dergelijke zomers steeds normaler worden. Natuurlijk kunnen die modellen niet voorspellen welk weer het op een bepaalde dag in juli 2028 zal zijn, laat staan in juli 2088. Wat we wel kunnen voorspellen, is de kans op een bepaald weertype. Een hittegolf bijvoorbeeld zal steeds vaker voorkomen. ‘Aan het eind van deze eeuw zal het vermoedelijk vaker voorkomen dat er elk jaar meerdere hittegolven zijn’ Dit soort voorspellingen klinkt mensen die van warm, droog en ­zonnig weer houden als muziek in de oren. Toch heeft alles een keerzijde, zoals ook deze zomer duidelijk bleek. De aanhoudende droogte zorgde in ­Nederland voor flink wat problemen in de landbouw en de scheepvaart. 

Het leidde tot een schadepost van tientallen miljoenen euro’s. Daarbij stonden de dijken te droog, waardoor ze dreigden door te breken. Vroeger kwam een hittegolf misschien eens in de tien jaar voor, momenteel eens in de drie jaar. Aan het eind van deze eeuw zal het vermoedelijk vaker voorkomen dat er elk jaar meerdere hittegolven zijn. Ook verwacht ik dat het mogelijk wordt dat we in Nederland een temperatuur meten boven de 40 graden Celsius.

Tegelijkertijd verwachten we in ­toekomstige zomers meer enorme stortbuien, waarbij heel veel water valt in een klein gebied. Daar moeten vooral grote steden rekening mee ­houden. Er moeten plaatsen komen waar het water naartoe kan of tijdelijk kan worden opgevangen. Graag wil ik benadrukken dat het ­lastig blijft om precieze uitspraken te doen. Geen enkel model is volmaakt. Wat onze modellen berekenen, is de kans waarop een bepaald weers­verschijnsel zich voordoet. De kans op warme, droge zomers met af en toe een enorme hoosbui wordt groter. Dat wil dus zeker niet zeggen dat er straks élk jaar een hittegolf zal zijn. Niets is immers zo veranderlijk als het weer.

Verwar een klimaatmodel niet met een model om het weer te voorspellen. Een weermodel kan niet verder dan twee weken in de toekomst kijken. Een klimaatmodel kijkt veel verder. In zo’n model wordt de aarde opgedeeld in talloze boxen, elk van zo’n honderd bij honderd kilometer. Dat zijn behoorlijke gebieden. Bij het voorspellen van het dagelijkse weer zijn die boxen veel kleiner, in Europa zo’n tien bij tien kilometer, en het KNMI doet in Nederland zelfs ­berekeningen voor twee bij twee ­kilometer. Een stuk preciezer. Voor al die boxen worden voor een lange periode weerkundige variabelen uitgerekend, zoals temperatuur, luchtdruk, windsterkte en de hoeveelheid neerslag. De uitkomsten van verschillende modellen worden met elkaar vergeleken en met behulp van waarnemingen uit het verleden getoetst. Het doel is uit te vinden welke typische weersomstandigheden bij een bepaalde klimaattoestand horen. Daar komt veel rekenwerk bij kijken. 

Al die modellen wijzen één ding uit: het wordt warmer. De opwarming van de aarde gaat niet overal even snel, maar op een enkel gebied na kun je stellen dat de planeet een stuk warmer is geworden: ruim een graad in de ­afgelopen eeuw. Dat lijkt weinig, maar is het niet, zeker als je bedenkt dat sommige gebieden, zoals de ­poolstreken, wel vier keer zo hard zijn opgewarmd.

Enkele klimaatsceptici daargelaten zijn alle wetenschappers het erover eens dat zo’n grote temperatuurstijging in zo’n korte tijd maar één oorzaak kan hebben: de mens. Ja, natuurlijk is het zo dat de temperatuur in het verleden niet altijd gelijk was. Er zijn perioden geweest waarin het een stuk warmer was en perioden waarin het juist koeler was dan nu. Denk aan de Kleine IJstijd in de Middeleeuwen. Toch waren daar altijd logische verklaringen voor. Vooral de toename van het aantal broeikas­gassen heeft tot een ongekend snelle opwarming geleid. Wat dit precies voor gevolgen heeft, is lastig te voorspellen, maar een ervan is de stijging van de zeespiegel. Gelukkig gaat dit voorlopig nog heel traag. Op Antarctica zal al het ijs heus niet in vijftig of honderd jaar zijn gesmolten. Er zijn echter allerlei effecten die elkaar kunnen versterken. Zo zagen we vorig jaar dat er een stuk ijs afbrak dat zo groot was als Wales. Dat is ongeveer een derde van Nederland.

Meer warmte in de oceaan betekent ook dat het water uitzet, waardoor de zeespiegel stijgt. Houden we hier in Nederland dan nog droge voeten? Ja, dat verwacht ik wel. We leven hier al eeuwen in een deltagebied en weten hoe we ons moeten aanpassen. We hebben voldoende geld en expertise en voorlopig ook nog tijd om er iets aan te doen. Dat betekent echter niet dat we op onze lauweren kunnen rusten. We moeten nu al plannen maken; nadenken over het onderhoud van onze Deltawerken.

Veel politici zien de urgentie van dit probleem niet in. Zoals Donald Trump en bij ons iemand als Thierry Baudet. Ik heb Baudet een tijd geleden gesproken en hem allerlei meetreeksen laten zien. Of ik hem heb kunnen overtuigen, weet ik niet. Begrijp me goed: kritische vragen zijn belangrijk, die houden ons scherp. Iedere politicus mag zijn eigen standpunten innemen. Maar baseer die dan wel op de feitelijke werkelijkheid, ontken die niet.

Dan rest mij nog het antwoord op de vraag: krijgen we dit jaar een witte kerst? Dat weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat de kans daarop steeds kleiner wordt. De modellen voorspellen dat onze winters steeds natter zullen worden. Een warmere lucht kan immers meer vocht bevatten. In Scandinavië zal die neerslag wellicht als sneeuw vallen, in Nederland verwacht ik toch vooral regen. Misschien moeten we voortaan niet zingen van een witte, maar van een natte kerst.

Wat is al bekend? En wat nog niet?

Bekend

Weermodellen voorspellen het weer van de komende dagen. De kwaliteit van deze voorspellingen gaat achteruit naarmate je verder in de ­toekomst kijkt. Klimaatmodellen tonen aan dat het steeds warmer wordt op aarde. Dit heeft ­allerlei gevolgen, zoals de stijging van de zeespiegel. Veel gevolgen zullen elkaar ook kunnen versterken.

Onbekend

Verder dan tien tot veertien dagen kunnen weermodellen niet kijken. Het is dus |niet mogelijk om al begin ­december te voorspellen of er een witte kerst zal komen. Niet alle factoren zijn goed in kaart te brengen. Een vulkaanuitbarsting valt bijvoorbeeld moeilijk te voorspellen, maar heeft soms grote ­invloed op weerpatronen in grote delen van de wereld.

Wat kun je zelf doen?

Spaar het milieu. Alle kleine beetjes helpen! Laat de auto wat vaker staan en neem de fiets, ­installeer zonnepanelen op je dak of kies voor groene energie. 

Ga in de winkel voor de ­duurzame optie. Bijvoorbeeld voor vegetarisch eten en ­verpak­kingen zonder plastic. 

Volg bij extreem weer de ­adviezen op. Bij code rood kun je het best binnen blijven.

Bart van den Hurk
1963 - Geboren op 19 november in Heeze (Noord-Brabant).
1989 - Afgestudeerd op Environmental Science aan de Wageningen Universiteit.
1996 - Gepromoveerd op Land surface modelling aan de Wageningen Universiteit.
2005 - Benoemd tot hoogleraar ­Regional Climate Analysis aan de Universiteit Utrecht.
2014 - Benoemd tot hoogleraar ­Climate Interactions with the ­Socio-Ecological System aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
2014 - Werkzaam als manager groep Weer- en Klimaatmodellering van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) in De Bilt.

Bron(nen):